Leven in Gods tegenwoordigheid

Het belangrijkste kenmerk van karmelietaanse spiritualiteit is leven in Gods tegenwoordigheid. De contemplatieve levenshouding van de karmeliet(es) is hierop gericht. Gods tegenwoordigheid moet men zich niet voorstellen als tastbaar en grijpbaar. Het gaat om een diepte die in de hele werkelijkheid te vermoeden is. God is in de hele werkelijkheid aanwezig als een geheim en tegelijk gaat Hij de werkelijkheid te boven. De karmeliet(es) probeert te leven in contact met dit geheim.

Elia en Maria

Steeds zijn Maria en Elia belangrijke modelfiguren geweest in de orde.
De profeet Elia leefde in de negende eeuw voor Christus. Een cyclus van verhalen over hem is opgenomen in de Bijbelboeken 1 en 2 Koningen. Zijn naam betekent Mijn God is Jahweh. Hij verdedigde het geloof in Jahweh tegenover koning Achab en koningin Izebel, die de verering van hun god Baäl aan hun onderdanen oplegden.
Voor de karmeliet(es) is Maria een belangrijk voorbeeld vanwege haar onvoorwaardelijke overgave aan de wil van God. Deze overgave is uitgedrukt in haar ja-woord “Ik ben de dienares van de Heer. Laat met mij gebeuren wat u hebt gezegd.” (Lc 1,38).

De relatie met God krijgt vorm in gebed, in zuster- en broederschap en in betrokkenheid op de samenleving.

Gebed

In het karmelitaanse leven staat het gebed centraal. Meerdere malen per dag komen onze gemeenschappen bij elkaar om te bidden. Het individuele gebed krijgt op verschillende manieren vorm: meditatie, lezing van Bijbelse teksten, lezing van mystieke teksten. Ook zijn er gezamenlijke meditaties rond deze teksten. Het gebed is een voortdurende bewustwording van Gods aanwezigheid.