Elisabeth Catez wordt geboren in 1880 in een zeer katholiek en redelijk welgesteld milieu. Als ze zeven jaar oud is  sterft haar vader. Ze verhuist met haar zus en moeder naar Dijon. Daar groeit ze op tot een getalenteerde, levenslustige jonge vrouw. Het gezin maakt vele reizen en ze heeft talent voor het pianospel. Al op jonge leeftijd voelt ze een sterk verlangen om helemaal voor God te leven. Elisabeth zoekt de beslotenheid van de Karmel. Zeven jaar houdt haar moeder haar intrede tegen. In die tijd richt ze zich al wel op het Karmelleven: in alles wil ze Gods wil ontdekken en hiernaar leven. Ze zet zich in voor haar medemensen en zij mediteert veel. Door de werken van Teresa van Avila laat ze zich gidsen op de weg van het innerlijk gebed: ‘leven in voortdurende gerichtheid op God’.

In 1901 treedt ze in de Karmel. Dan ontvangt ze de kloosternaam Elisabeth van de Drie-eenheid. Die naam betekent voor haar een bijzondere roeping. Zij  wil een huis zijn, waar de Drie Ene God kan wonen: Hij die ‘helemaal liefde is’.

In december 1901 begint ze officieel aan haar noviciaat. Ze wordt dan geconfronteerd met de schraalte van haar leven in de Karmel. Er komen duistere perioden, waarin ze niets meer ervaart van Gods aanwezigheid. Ze voelt eenzaamheid, twijfel, gemis, schuldgevoel en angst. In deze perioden ervaart ze in het stille, innerlijke gebed de liefde van en voor God. Dat helpt haar verder op haar weg: ‘Je moet als het ware een kleine cel bouwen in je ziel en tot je door laten dringen, dat God daar woont. Je kunt er van tijd tot tijd binnengaan.’ Vanaf Pasen tot december 1906 sloopt een pijnlijk ziekbed haar lichaam. Geestelijk leeft ze meer en meer in intieme verbondenheid met God. Vlak voor haar dood schrijft ze: ‘We moeten sterven aan alles wat God niet is, om alleen nog door Hem bewogen te worden.’

Ze is zesentwintig jaar oud als zij sterft.