Zondag 18 oktober 2020

Overweging Mattheüs 22, 15-21

Geef aan de keizer terug wat de keizer toekomt en geef aan God wat God toekomt.

Precies deze woorden van Jezus hebben een enorme invloed gehad op de geschiedenis van ons christelijke westen en met name op de verhouding tussen kerk en staat. In de evangeliepassage van vandaag gaat het over de spanning die er bestaat tussen het wereldlijke gezag en het religieus-godsdienstige gezag. In feite gaat het over de verhouding tussen geloof en politiek, tussen geloof en economie. Zeer toepasselijk op een dag als vandaag, op Wereldmissiedag, een dag waarop de kerk onze aandacht vraagt voor onze zusters en broeders, die leven in de tot derde gemaakte wereld. De vraag is hoe wij als zusters en broeders samenleven en rekening houden met elkaar. De vraag is hoe wij als gelovige mensen kijken naar mensen die er veel slechter aan toe zijn dan wij en hoe wij vanuit dat kijken tot een handelen komen, tot een christelijke praktijk van naastenliefde en solidariteit. Het evangelie wijst ons daarin een weg. Het evangelie of liever gezegd Jezus leert ons over de weg van God. Niet alleen na zijn kruisdood en na zijn opstanding werd en wordt Jezus beschouwd als een groot geestelijk leider, als Zoon van God, ook tijdens zijn leven had hij vele volgelingen, die in hem een Rabbi zagen, een meester, aan wie ze hun vragen voor konden leggen.

‘Meester, wat dunkt u, is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?’ Een slimme vraag van de farizeeën en van de herodianen, die hem uit de weg willen ruimen.

Zegt Jezus ja, dan stemt hij in feite in met een Romeins belastingsysteem, dat een regelrechte uitbuiting betekende van het joodse volk. Bovendien was ja-zeggen in strijd met het tweede gebod uit de wet van Mozes: gij zult geen godenbeelden maken. Want op de belastingmunt stond het beeld van de keizer met op de rand de woorden Tiberius, zoon van de goddelijke Augustus. Voor de joden was dit een regelrechte godslastering. Zegt Jezus nee, dan zou hij onmiddellijk verdacht zijn bij de herodianen, aanhangers van de keizer. Weigeren om belasting te betalen stond gelijk aan een opstand tegen de Romeinse overheersing en kon aanleiding zijn om iemand gevangen te nemen. Maar Jezus laat zich niet zo gemakkelijk vangen. Op een meesterlijke manier laat hij zien welke de weg van God is en wat de weg is die hij zelf in religieus en in politiek economisch opzicht bewandelt. Geef aan de keizer wat van de keizer is, d.w.z. de belastingmunt met zijn eigen beeld, laat de keizer z’n munten en daarmee z’n systeem van economische uitbuiting en onderdrukking. Het joodse volk en Jezus hadden daar geen enkele boodschap aan. Maar Jezus vervolgt: Geef aan God wat van God is. En daarin zit de kern van zijn antwoord. Geef aan God wat van God is. Dit antwoord roept bij ons vragen op als: wat is van God, wie is van God, wie is God? Welke macht heerst over ons, door wie laten we ons gezeggen? Er zijn vele machten die ons leven bepalen, maar wat of wie is voor ons degene die het uiteindelijk voor het zeggen heeft? Gaat het ons uiteindelijk om ons bezit, om ons geld? Heeft de economie bij ons het laatste woord? Hebben wij het gouden kalf vervangen door een heilige koe, want wat is een mens zonder auto en wat is een land zonder olie? Gaat het ons alleen om ons eigen leven, wint ons eigenbelang het bij voorbaat van het belang van de ander? Je zou het soms wel denken. We leven in een tijd waarin vele goden heersen over ons leven: de god van het geld, de god van techniek en wetenschap, de god van de gezondheid. We leven in een tijd waarin de mens zichzelf tot God verheven heeft, we wanen ons heer en meester van ons eigen leven, het gaat om mijn leven en dat hou ik zelf in handen, met een ander, laat staan met God heb ik niks te maken. We kennen allemaal de neiging om de ander naar onze eigen hand te zetten. We doen dat in het klein en we doen dat in het groot. De derde wereld problematiek, de kloof tussen arm en rijk is natuurlijk niet uit de hemel komen vallen. De neiging om de ander naar je hand te zetten, om de ander te gebruiken voor je eigen belangen ligt daaraan ten grondslag. In feite doen we door deze handelwijze de ander en uiteindelijk ook onszelf geen recht.

Pas als we de ander zien staan, als we het beeld van God herkennen in onze naaste, pas dan groeit er in ons een diep respect voor het wonder van ons mens zijn. Door de liefde die wij voelen ten opzichte van elkaar kan er in ons een besef van Gods’ liefde groeien. En als wij de ander geven wat de ander toekomt, dan geven wij God wat God toekomt. Gods liefde en naastenliefde hangen wezenlijk samen. Stel dat Jezus nu zou leven en we zouden hem vragen: Meester, wat denkt u van al die ontwikkelingshulp, wat denkt u van onze zuurverdiende belastingcenten, wordt het geen tijd dat we aan onszelf en aan onze eigen armen gaan denken? Ik vermoed dat Jezus ons zou vragen: laat mij de koffie eens zien die je drinkt, geef me de katoenen trui eens die je draagt, waar komt het speelgoed vandaan dat je voor je kinderen of kleinkinderen gekocht hebt en met welke zeep was je je handen in onschuld?

Sanny Bruijns O.Carm.