Zondag 2 juni 2024

Marcus 14, 12-16, 22-26

We staan even stil bij het evangelie van vandaag op Sacramentsdag: een bijzondere dag, die ons doet denken aan de instelling van de eucharistie.

De evangelist Marcus vertelt het op zijn eigen manier: Op de eerste dag van het ongedesemde brood, waarop met het Paaslam slacht, gaan de leerlingen met Jezus ook het Paasmaal houden.

Jezus staat in de traditie van het Joodse volk, hij doet mee met hun vieringen en  hun feesten. Hij gedenkt met zijn leerlingen de bevrijding uit Egypte. Hij is solidair zijn volk, hij  herinnert hun lijden en beproevingen, maar ook geloof en vertrouwen in God, die het bevrijding bracht.

Maar zo kort voor zijn eigen lijden en dood ziet Jezus zichzelf als het paaslam, dat zal worden gedood, het lam, dat nu het teken is van bevrijding.

De leerlingen zoeken een zaal, waar ze bijeen zullen komen, het lijkt alsof Jezus het tevoren al geregeld heeft: hij geeft twee van zijn leerlingen duidelijke aanwijzingen.

Jezus weet ook van de kwetsbaarheid van zijn leerlingen: Judas staat op het punt om hem te verraden en Petrus kan spoedig zijn goede beloften niet nakomen.

Zo gaat Jezus aan tafel, denkend aan de doortocht van het volk door de woestijn en aan God, die zijn mensen niet vergeet.

Vanuit zijn sterke verbondenheid met God en zijn intense solidariteit met de mensen in hun gebrokenheid, nam Hij brood, sprak de zegenbede uit, brak het brood, deelde het uit en zei: “Neem hiervan, dit is mijn lichaam”. Zo deed hij ook met de beker en zei: “Dit is mijn bloed, het bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt”.

Zo vlak voor zijn lijden en dood, sluit Jezus een nieuw verbond. Nieuw, omdat het niet meer ongedaan te maken is. Het blijft voor altijd in stand.

Het tekent Jezus ten diepste als iemand, die evenals God de nood van zijn volk ziet en het tegemoet komt met de overvloed van zijn gaven.

In het vieren van de eucharistie hebben we deel aan Gods liefde. En deze liefde werkt door in ons leven. We kunnen het zien en ervaren bij mensen, die zich ondanks hun lijden en verdriet vasthouden aan Jezus. We zien het bij stervenden, die zich in hun nood overgeven in vertrouwen aan de barmhartigheid van God. Ik zag het bij medebroeders en hoorde hun getuigenis: “Ik weet dat God van me houdt vandaag en alle dagen van mijn leven. Hij houdt van me

als ik leef, hij houdt van mij nog meer als ik sterf, omdat Hij me dan voorgoed in zijn armen neemt. Dit is mijn troost. Er kan mij niets gebeuren”.

We zien het bij mensen, die hongeren naar gerechtigheid en uitzien en werken aan vrede. We zien het bij mensen, die proberen de honger in de wereld  uit te bannen.

Deelname aan de eucharistie roept ons op voedsel en kleding en onze talenten te delen met onze broeders en zusters vooral met hen, die in grote nood verkeren. Deelname aan de eucharistie doet ons denken aan de woorden van Jezus: “Ik had honger en jij hebt mij te eten gegeven, ik had dorst en jij hebt mij te drinken gegeven”.

Wij herinneren ons Jezus in de viering van het Paasmaal en zijn woorden. Wij herkennen ons in zijn leerlingen, soms wankelmoedig in hun geloof en traag om Jezus te volgen..

Toch werd dit nieuw verbond van Jezus in brood en wijn een krachtbron voor hun verdere leven en voor de gemeenschap van christenen, die zij gingen vormen.

Het vertrouwen in Jezus werd steeds weer vernieuwd en versterkt in het vieren van de eucharistie.

Die nieuwe kracht mogen ook wij steeds weer opdoen in deze viering.

Het is voor de kerk in heel de wereld een centrale kracht en ook in onze kleine geloofsgemeenschap.

Ik denk dikwijls met vreugde aan al die mensen, die de kracht zoeken bij Christus in hun gewone dagelijkse leven met al zijn zorgen.

In Afrika, Zuid America en Azie  groeperen mensen zich dikwijls in alle eenvoud in de buitenlucht om eucharistie te vieren, houden elkaars handen vast en luisteren naar de woorden van Jezus en delen met elkaar brood en wijn en vormen een broederlijke en zusterlijke gemeenschap, die voor elkaar opkomen.

Het inspireert me als mensen getuigen, dat zij kracht en voeding zoeken bij de Heer, dat zij in deemoed erkennen, dat zij niet zonder zijn hulp en kracht kunnen leven en dat zij daardoor tot veel in staat zijn: tot een grote liefde voor mensen  en vertrouwen in God.

 

Tjalling van Balen