zondag 24 maart 2019

Overweging Lucas 13, 1-9

Er gebeuren in onze wereld de vreselijkste dingen. Mensen die medemensen gruwelijk vermoorden. Een gebouw dat instort en vele mensenlevens vernietigt. Hoe gaan we daarmee om?
In de evangelielezing van deze week horen we hoe mensen Jezus een dergelijke situatie voorleggen. Zonder dat ze daarbij een vraag stellen, hoort Jezus blijkbaar al wat ze erbij denken: ‘Dat hun dat overkomen is, zal wel komen door hun zonde, door hun eigen schuld.’ Maar Jezus wijst dat resoluut van de hand: ‘Geen sprake van.’ Wat is dat voor een mechanisme, dat we zo geneigd zijn de schuld bij de slachtoffers te leggen. ‘Dat meisje dat verkracht is… zal zich wel verleidelijk gedragen hebben.’ Of: ‘Oorlog in landen van het Midden Oosten? Moeten ze maar geen gewelddadige godsdienst als de islam aanhangen.’ Proberen we de schuld bij mensen zelf te leggen, om hun lot van onszelf af te houden? ‘Mij zal dat niet gebeuren, want zo ben ik niet!’ Of misschien om er zelf niets aan te hoeven doen? ‘Eigen schuld, dikke bult.’ Ze moeten dan ook zelf maar zien, hoe ze er weer uit komen. Zo’n mechanisme van schuld zoeken kan ook in de bezinning op je eigen leven opkomen: ‘Waar heb ik dit aan verdiend, dat ik ziek geworden ben, dat ik mijn kind verloren heb, dat het bedrijf waar ik werkte failliet ging?’ We zoeken blijkbaar naar oorzaak en gevolg, en wel zo dat het binnen ons eigen bereik blijft. Misschien is het idee dat je er zelf géén invloed op hebt gehad, dat het helemaal niets met jou te maken heeft, nog wel angstaanjagender dan dat je de schuld bij jezelf kunt leggen. Dan houd je nog een beetje de greep op je eigen leven.

Opvallend is ook dat in een dergelijke bezinning God nog al eens opkomt als een soort boeman: dat je gestraft wordt door God. ‘Ooit heb ik dit-of-dat verkeerd gedaan en nu krijg ik het op mijn brood, pakt God me terug, word ik gestraft.’ Misschien is dat nog wel de sterkste drijfveer van Jezus om uit te roepen: ‘Geen sprake van!’ Want wat voor een Godsbeeld spreekt daar uit? Een God die aan het turven is hoe vaak we over de streep gegaan zijn, om ons dan op een onbewaakt ogenblik te overvallen met iets vreselijks, als straf, als ‘terugpakken’? ‘Geen sprake van.’ Dat is niet de God waar de Bijbel over spreekt, dat is niet de God waar Jezus uit leeft.

In de Bijbel gaat het over de God die ons het leven gunt. Die ons kans op kans geeft om als we op een doodlopend pad zitten, om te keren, en de weg van het Leven te kiezen. Mensen die op tragische wijze om het leven komen, zijn niet slechter dan degenen die dat toevallig niet overkomt. Allen worden we tijdens ons leven uitgenodigd te kiezen voor het leven, vruchten voort te brengen die blijvend zijn. Keer op keer. De gelijkenis van de vijgenboom spreekt daar duidelijk van. En Jezus is als een geduldige wijngaardenier die bereid is de grond van onze vaste overtuigingen, onze onbarmhartige oordelen, onze vaste patronen van denken en handelen open te woelen, bloot te leggen, om te spitten. God die mensen straft met ongelukken en ziekten? Geen sprake van! God gunt ieder het leven, laat het regenen over goeden en kwaden. Met een uiterste inspanning 7x vergeven? Geen sprake van! 70 maal 7 keer zul je vergeven! Mij op de schouder kloppen voor het liefhebben van mijn naaste? Geen sprake van! Je vijand zul je liefhebben! De vreemdeling zul je ontvangen.

Op vele manieren bewerkt Hij onze grond, voedt Hij ons met zijn woord, totdat we eindelijk open gaan om de om-niet stromende genade van God te ontvangen, en dáárvanuit te gaan leven, zodat we vruchten voortbrengen waar ook anderen weer van kunnen leven. Vruchten van gastvrijheid, vergevingsgezindheid, liefde, geduld.

Zo verging het ook Mozes. De grond van zijn ziel was onrustig, woelig, doordat hij het lijden van zijn volk in Egypte had gezien. Hij zat dan inmiddels zelf wel veilig in de woestijn, maar wanneer het lijden van medemensen bij je is binnengekomen, laat je dat niet zomaar los. Dat woelt door in je herinnering, in je geweten, in de grond van je bestaan.
En dan opeens barst het open. Zijn innerlijke onrust barst uit in goddelijk vuur. ‘Ik heb gezien, de ellende van mijn volk. Ik heb gehoord hun jammerklachten. Ga, tot bevrijding!’ Mozes stottert. ‘Wie ben ik om te gaan, om te bevrijden mijn broeders en zusters? Ze zien me aankomen.’ ‘Ik ben met je’ is het antwoord dat hij krijgt. ‘Het vuur in je binnenste ben Ik. Ik ben de grond van je bestaan. Heilige grond. Ik ben het leven dat door je aderen stroomt, en de bewogenheid die jou aanzet je leven te geven voor je broeders en zusters. Ga.’
En Mozes geeft gehoor aan dat Woord en gaat, en hij weet ook zijn volk te bewegen om te gaan. Hij leert hen te luisteren naar dat Woord, naar de God die is en laat zijn, die zich verbindt met de lijdenden, en mee gaat, die lange weg van bevrijding. Zo draagt Mozes vrucht in zijn leven.
Dat ook wij de moed hebben onze grond te laten bewerken, ontvankelijk te zijn voor woorden die onze vermeende zekerheden omwoelen, ons te laten bewegen door de roep van lijdende mensen, en vruchten voort te brengen die levengevend zijn.

Marieke Rijpkema