Zondag 14 juni 2026

Evangelielezing: Matteüs 9, 36-10, 8

In het evangelie hoorden we de zendingsrede van Jezus. Het gaat over de zending van de twaalf apostelen, maar ook over onze zending,  over de zending van alle christenen. Het doet ook denken aan wat in de eerste lezing verteld wordt, dat de Israëlieten na hun vertrek uit Egypte en na hun tocht door de woestijn hun kamp opslaan bij de berg Sinaï.  Mozes gaat die berg op en wordt daar door God aangesproken. God sluit een verbond met het volk en het volk moet dat verbond goed onderhouden en dat in hun leven laten zien en daardoor ook Gods liefde aan de andere volken bekend maken.

In het evangelie geeft Jezus de zending aan zijn leerlingen. Jezus zag onderweg een mensenmenigte en hij voelde medelijden: hij was geraakt door hun nood, ze zagen er uitgeput en hopeloos uit. Ze werden niet beschermd: als schapen waren zij zonder herder. Jezus wilde, dat zijn leerlingen zich voor hen zouden inzetten en daarvoor God zouden bidden om zijn kracht. Zij kregen Gods kracht om zich net als Jezus te bekommeren om deze mensen, zodat het beter met hen zou gaan, dat zij bevrijding zouden ervaren van het kwade en genezing zouden vinden. Jezus wilde het geluk voor deze mensen, dat zij kinderen van God zouden worden en veel liefde voor elkaar zouden tonen.

Twee aan twee worden de apostelen op weg gestuurd, als een klein team: ze hebben elkaar nodig. Ze moeten op hun tocht hetzelfde doen als Jezus: het koninkrijk van God verkondigen en zieken genezen. Ze hebben eerst genoeg werk voor het volk Israël voordat ze op weg moeten gaan naar de heidenen. Om-niet hebben ze ontvangen, om-niet moeten ze geven. Ze hebben veel geleerd van Jezus: zijn liefde voor de mensen, zijn gerichtheid op God, zijn Vader, zijn grote zorg voor de zieken en de armen. Zij niet aflatende aandacht voor mensen, die er niet bij hoorden. Zij moeten getuigen van het voorbeeld van Jezus. Ook hun hart moet door medelijden zijn bewogen, ze moeten zich zo openstellen voor de mens in nood, dat zij  helemaal meevoelen wat de anderen doormaken. Ze moeten zich openen voor Gods goede kracht en nabijheid. Ze moeten beseffen dat de prestaties niet van hen zijn, maar dat de oogst en de arbeiders in Gods hand zijn. Gods liefde maakt hen sterk genoeg om op hun beurt lief te hebben. Maar naar het voorbeeld van de apostelen hebben wij, gewone mensen, allemaal een persoonlijke roeping en een zending om Jezus na te volgen en de mensen, die we dagelijks ontmoeten met liefde tegemoet te treden. Daar kunnen we zien wat we voor anderen kunnen betekenen met onze liefde voor hen. Ons gebed tot God moge ons vergezellen en de kracht geven om ons hart te tonen aan mensen, die ons nodig hebben in hun nood en zorgen. Jezus zei: “Het koninkrijk der hemelen is nabij.”  Dat is te zien in onze daden. Altijd zijn er mensen  dichtbij en veraf, die in nood verkeren en die ook nu nog afgetobd neerliggen als schapen zonder herder. Jezus zoekt en blijft zoeken en verlangen naar mensen, die niet weglopen van verdriet; naar mensen die met vuur en overtuiging alle geweld en onvrede willen bestrijden met liefde. Ook van ons wordt moed en geloof gevraagd en dit in alle eenvoud te tonen. Ook ieder van ons mag het besef van roeping meedragen, misschien geen speciale wijding, maar wel een zending en een toewijding aan mensen die ons nodig hebben, die soms verloren dreigen te lopen en uitzien naar iemand, die hen nieuwe hoop kan geven, kan troosten en bemoedigen. Wat is het mooi, dat wij allen op onze manier er aan mee kunnen werken in het spoor van Jezus te gaan en zijn visioen van liefde zichtbaar te maken, al is het bescheiden en onopvallend, het is toch groots en belangrijk voor de mens, ook voor onszelf en voor God een vreugde.

Tjalling van Balen