Zondag 26 januari 2020

Overweging bij Matteüs 4, 12-23

Vanaf het moment dat Johannes de Doper gevangen genomen is, gaat Jezus diens goede boodschap verder verkondigen: bekeer je, want het Koninkrijk der hemelen is ophanden.
Bekeer je, is de oproep van Jezus tot ons vandaag. Keer je, terug naar je oorsprong. Je omkeren, bekeren, betekent je opnieuw richten naar het oorspronkelijke punt van je vertrek, is je opnieuw richten tot de Bron van je leven.

bekeer je, want het Koninkrijk der hemelen is ophanden.

Voor Johannes de Doper en Jezus is dit keren belangrijk, omdat de komst van Gods Koninkrijk zelf, valt of staat met onze gerichtheid erop. Het kan zich blijkbaar niet realiseren zonder onze toekeer, zonder ons verwachtingsvol uitstaan ernaar. Het dichterbij komen van Gods koninkrijk hangt af van ons verlangen ernaar, van onze aanvaarding ervan, en of wij Gods koninkrijk willen zijn, willen uitbeelden met ons leven.

Met het koninkrijk van God wordt bedoeld: Gods heerschappij, Gods oplichtend gelaat in de schepping, zijn werkzame aanwezigheid in en onder ons, die ons leven wil sturen en richting geven wil. Hoe dat is, is niet bij voorbaat door ons gekend of te weten. Want het is God zelf die dan heerst, en zijn wegen zijn niet onze wegen, zijn gedachten niet onze gedachten.

Als God leidt, geschiedt zijn wil, zijn gelieven. Maar: zijn leiding is slechts komende, groeiende, in de mate dat wij ons verlangen openen en leegmaken voor Hem, voor zijn gelaat in ons, dat ons diepste, maar beeldloze verlangen is, en dat ons steeds weer de nacht en de woestijn indrijft van het niet-weten en het niet zijn.

Bekeren is verlangen naar wat God voor ogen heeft, en je toevertrouwen aan zijn weg met ons daar naartoe, ons overgeven aan zijn gidsende gelaat in en onder ons. Dat is het bekeren dat Jezus voor ogen had en verkondigde, dat is terugkeren naar zijn en onze Bron van het bestaan. Dat vraagt dat we loslaten te weten hoe het precies zit, met Gods koninkrijk, met jezelf, met je eigen leven en dat van een ander. Want Gods gelaat leidt voorbij elke menselijke wijsheid, voorbij onze waarneming en ons vertstandelijk begrijpen. In die zin zijn wij van onszelf uit niet zo goed geschikt om ons voortdurend op Hem te richten en te volgen.

Want telkens weer maken wij iets van Hem en van onszelf, met onze verhalen, modellen en theorieën, met onze beelden en verwachtingen welke zo goed mogelijk aansluiten op onze verlangens en angsten. Steeds construeren we weer ‘iets’ dat op Hem of op ons gelijkt, hechten we ons aan iets beeldigs binnen of buiten onszelf.

Gelukkig zijn er mensen, die zo geraakt zijn door die Bron van leven, dat zij zich lieten ontledigen van hun eigen verlangens, ideeën, beelden en verwachtingen. Zij hebben zich met hun tekort aan weten en zijn geheel en al in God handen gelegd. Zo zijn zij ons met hun leven op de goede weg voorgegaan. Mensen zoals Jezus, Maria, Titus Brandsma, …. Mensen die ervaren en aanvaard hebben te worden wie zij zijn: Gods zoon, Gods moeder, zijn welbeminde.

Mensen ook, die beproefd zijn geworden op die aanspraak: Jij bent aan mij, jij bent mijn gelieven. Mensen die door nacht en woestijn hebben moeten leren zich in al hun tekort aan zien en weten en zijn, blind toe te vertrouwen aan dat beeldloze gelaat dat hen aanziet en dat zij noemen: Vader, Moeder, of ‘een ik weet niet wat’.

Onze terugkeer naar God geschiedt maar wanneer wij onder ogen zien dat wij niet-wetende leerlingen zijn. Dat vraagt dat we de moed hebben te erkennen en te aanvaarden dat we omtrent God en onszelf en elkaar doof en blind zijn, dat we in wezen niet weten wie God is, noch wie wijzelf zijn, dat wij Hem en onszelf niet bezitten, niet wezenlijk zijn.

Leerling worden we door ons het perspectief eigen te maken van mensen als Jezus, Maria of Titus Brandsma. Hen volgen voorbij aan wat je ziet en bepalen kunt. Voorbij al datgene wat je weet en denkt te zijn, voorbij je beelden en je visies, voorbij al die zelfgeklaarde netten die wel grote vangsten beloven, maar die enkel vangen kunnen ten dode.

In de mate echter dat wij het net durven zijn dat God uitwerpt om zijn mensen te vangen, in die mate komt Gods koninkrijk naderbij in en onder ons, en worden wij samen een met die Bron van ons bestaan.
Om visnetten van God te worden, moeten wijzelf verstillen en tot zwijgen komen, zo, dat wij die Stem gaan horen die tot ieder van ons zegt: jij bent aan Mij, jij bent mijn zoon, mijn dochter, mijn welbeminde.
Tegelijkertijd kunnen wij niet anders dan beelden maken, beelden die we dus elke dag weer zullen moeten relativeren, om terug te kunnen keren naar de Bron van ons bestaan en met Jezus, Maria en Titus kunnen zeggen: Hier ben ik, mij geschiedde naar jouw gelieven.
Gods Woord nodigt ons elke dag uit ons failliet te omarmen ons pijnlijke tekort voor God en voor elkaar te erkennen en te aanvaarden, en onze bevrijding enkel van Hem uit te verwachten in de komst van zijn Heerschappij.

Bekeer je, want het Koninkrijk der hemelen is ophanden.

Dat wij vandaag die grondhouding van niet-weten inoefenen, door het Godswoord bij Jesaja te horen en te overwegen:

Ik leid blinden op een weg die zij niet kennen;
op paden die zij niet kennen leid Ik hen;
vóór hun gelaat maak Ik duister tot licht
en oneffenheden maak ik recht.
Dit alles doe Ik, en zal Ik niet nalaten

 Maar wie is zo blind als mijn dienaar,
wie is doof als de bode die Ik zend?
Wie is blind als de volmaakte
blind als de dienstknecht des Heren?

 

Leon Teubner