zondag 17 december 2018 – 3e zondag van de Advent

Overweging bij Sefanja 3, 14-18a (Lucas 3, 10-18)

Wij leven in de donkere dagen voor Kerstmis. Voor velen onder ons een tijd van huiselijke gezelligheid, van knusse behagelijkheid achter vroeg gesloten gordijnen, van warmte terwijl het buiten vriest en liefst nog sneeuwt. In deze maand leven wij allemaal naar het kerstfeest toe. Als je mensen vraagt wat voor feest Kerstmis is, blijven er steeds meer het antwoord schuldig. Dat werd duidelijk uit een onlangs gehouden enquête onder kinderen van groep acht. Slechts drie van de honderd kinderen bleken nog te weten dat Kerstmis het feest is van de geboorte van Jezus van Nazareth, als de lang verwachte Messias, de Christus, van God uit gezonden om in zijn menswording ons allen de weg te wijzen naar het eigenlijke Leven (met een hoofdletter), waarvan ons aardse leven slechts kortstondig deel uitmaakt.

De Advent bereidt ons voor op deze geheimnisvolle komst van God in ons bestaan. Vandaag vieren wij de derde Adventszondag. Vandaag luidt de officiële intredezang van de liturgie: Gaudete in Domino semper… ‘Verheugt u in de Heer te allen tijde…’. Gaudete! Daarom wordt deze zondag vaak ‘zondag Gaudete’ genoemd. Het is de zondag waarop wij ons bewust worden van Gods komen in onze wereld in de persoon van Jezus van Nazareth.

De drie Schriftlezingen spreken alle over een goddelijke nabijheid, die naar de aard van de bewoordingen op drie manieren zichtbaar wordt gemaakt. In de eerste lezing roept de profeet Sefanja ‘Sion’ (het gelovige en verwachtende Jeruzalem) tweemaal toe: ‘De Heer, de koning van Israël, blijft bij u’ (vgl. Sef 3,15) en ‘De Heer, uw God, is bij u als een reddende held’ (vgl. Sef 3,17). In de tweede lezing stelt de apostel Paulus voor de gelovigen van Filippi eenvoudig vast: ‘De Heer is nabij’ (Filip 4,5). En in de derde lezing, uit het evangelie van Lucas, kondigt Johannes de Doper iemand aan ‘die sterker is dan ik’ (Lc 3,16). Samen kondigen de lezingen het komen van God zelf aan, als koning van Israël, als reddende held, als de nabije Heer, als iemand die sterker is dan zijn voorloper.

Het komen van God wordt dus langzaamaan zichtbaar. Dit is de grond van de vreugde waartoe de eerste twee lezingen oproepen. Sefanja nodigt in alle toonaarden uit: ‘Sion, jubel van vreugde; juich, Israël; verheug u, en wees blij, Jerusalem, met heel uw hart!’ (Sef 3,14). Paulus herhaalt eenvoudig zijn oproep: ‘Verheugt u in de Heer te allen tijde. Nog eens: verheugt u!’ (Filip 4,4). Het gaat niet om een oppervlakkige vreugde over iets verheugends, maar om een intense blijdschap die eerder een innerlijk juichen is, een zich verheugen in de Heer, de eigenlijke vervulling van de verwachting. Voor Sefanja ligt de vreugde in de vernietiging van het vonnis, de verdrijving van de vijand, de vernietiging van het onheil, een wending ten goede die door de komst van de Heer wordt bewerkstelligd. Voor Paulus is vreugde de eigenlijke bron van onze geloofshouding, die concreet moet worden in een alomvattende vriendelijkheid tegenover medemensen, een vertrouwvolle en onbekommerde levensstijl, een houding van voortdurende smeking onder dankzegging, een vrede die alle begrip te boven gaat en onze harten en gedachten in Christus behoedt. Voor Johannes de Doper is het komen van de Sterkere de aanleiding tot een grondige zuivering, zoals op een dorsvloer waar door de wan het kaf van het koren gescheiden wordt. Om die innerlijke zuivering in een ritueel te vertalen houdt Johannes aan de Jordaan doopsessies, waar hij boetvaardigheid preekt, de mensen uitnodigt om schoon schip te maken en hun bekering tot God in een waterdoop tot uitdrukking te brengen.

Maar het mag niet bij rituelen alleen blijven. Johannes heeft voor iedere stand onder de mensen een boodschap die de innerlijke zuivering concreet maakt. Mensen met dubbele kleding en met meer dan genoeg voedsel moeten delen met wie niets heeft. Belastingambtenaren en bankiers moeten eenvoudig nalaten wat velen van hen het liefst doen: mensen geld uit de zak kloppen en hun eigen zakken vullen. Soldaten mogen de macht van hun wapens niet langer misbruiken om te huizen plunderen, vrouwen te verkrachten en mensen af te persen. Drie categorieën die in het maatschappelijk leven ook vandaag nog volop actueel zijn: teveel rijke egoïsten, teveel zakkenvullers, teveel machtswellustige milities.

Het komen van de Heer hebben wij zelf niet in de hand; zijn komst wordt ons geschonken en is de eigenlijke bron van onze vreugde. Maar wel hebben wij greep op de wereld waarin de komst van de Heer plaatsvindt. Zolang onze wereld niet gezuiverd is van egoïsme, eigenbelang en machtswellust, zal het komen van de Heer belemmerd worden. Dan maken wij het Hem onmogelijk zich om ons te verheugen, ons door zijn liefde nieuw te maken en te jubelen van vreugde om ons (vgl. Sef 3,17-18).

Moge de Almachtige ons genadig zijn en ons door zijn Geest brengen tot vreugde om zijn mooiste naam: Emmanuel, ‘God-met-ons’.

Rudolf van Dijk, o.carm. Zaliger gedachtenis