Zondag 13 juni 2021

Overweging Marcus 4, 26-34

Wie spreekt in gelijkenissen, zoals Jezus, geeft daarmee te kennen dat hij zoekende is. Anders zou hij wel zeggen hoe het precies zit. Maar nee, hij spreekt in gelijkenissen, dat wil zeggen: hij tast in beeldtaal de werkelijkheid van God af. In het geval van Jezus: Hij verlangt zo vurig naar de komst van Gods koninkrijk, dat beelden in Hem wakker worden. Het koninkrijk van God lijkt op een bruiloftsmaal, op een visnet, op een schat in de akker, op zaad in de grond, op een mosterdzaadje. Wie denkt in gelijkenissen geeft blijk van grote betrokkenheid en vindingrijkheid. Wie niet vurig verlangt naar het koninkrijk van God, zal nooit een gelijkenis vinden.

De eerste gelijkenis ziet het koninkrijk van God als zaad dat door een boer in de akker wordt ingezaaid. Zaaizaad is het allerduurste zaad. De wereld is de akker waarin wij als het zaad van God gezaaid zijn. Wij zelf zijn het zaad. God heeft zijn groeikracht in ons ingezaaid. En nu maar hopen dat wij zijn groeikracht in ons de kans geven en gaan beseffen, hoe groot de liefde is die Hij ons heeft gegeven.

Het meest ontroerende vind ik dat de boer slaapt, terwijl het zaad ontkiemt. De boer slaapt, dat wil zeggen: God slaapt, terwijl wij groeien in zijn kracht. Het zaad groeit op, maar ‘God weet niet hoe’, zo zegt Jezus. God weet niet hoe het met zijn schepping gaat, hoe wij ontkiemen, groeien en rijpen. Hoe ongelooflijk groot moet zijn vertrouwen zijn. Hij heeft zijn liefde ingezaaid in ons, en nu wacht Hij geduldig. Alles heeft Hij gegeven, Hij heeft gedaan wat Hij kon. Hij heeft niets meer over. Het is aan ons. Hij wacht.

Inderdaad, Hij is een verborgen God, zoals Jesaja zegt, en Jan van het Kruis zegt het hem na. Hij is volkomen ingedaald in ons bestaan. Wij zijn de akker van zijn liefde. Wij dragen zijn liefde in ons. Doordat wij groeien antwoorden wij. Hij is een verborgen God, volkomen verborgen in zijn zelfgave. Zijn linkerhand weet niet wat zijn rechter doet. Hij heeft zichzelf ten einde toe gegeven.

Onze verwondering wordt nog groter, wanneer wij beseffen dat de zelfgave van God in ons uiterst klein begint: Het koninkrijk van God lijkt op een mosterdzaadje, het kleinste van alle zaden op aarde. Hoe kan zo’n klein zaadje uitgroeien tot een struik die groter is dan alle andere struiken?

Jezus voegt er een belangrijk detail aan toe: ‘Wanneer het gezaaid is in de aarde’. Dit wordt tweemaal gezegd: ‘Wanneer het gezaaid is’. Een zaadje groeit pas, als het gezaaid is, als het één geworden is met de aarde. Dat geldt ook voor het kleinste zaadje. Ook kleine zaadjes hebben harde bolsters die door de aarde ontbolsterd moeten worden. Pas als het zaadje gestorven is, zichzelf prijsgegeven heeft aan de aarde, kan het ontkiemen. Zo heeft God zelf het voorgedaan. Hij heeft zichzelf ontledigd, tot op het kruis. Hij heeft zichzelf prijsgegeven.

Het kleinste in ons is het grootste: Gods kracht in onze nietigheid. Het minst opvallende, het minst spraakmakende in ons is het sterkste: Gods kracht in ons. Waar mensen zijn uitgeteld – in folterkamers en concentratiekampen, in wankele bootjes en plat geschoten huizen – is Gods kracht het grootst. Onze nietigheid is zijn kans. Hier ontplooit Hij zijn verrijzenis.

Nu gaat het zaadje groeien en wordt groter dan alle andere struiken. De vogels van de hemel komen in zijn schaduw nestelen. Daar had het mosterdzaadje niet op gerekend. Want zaadjes denken aan bomen en bomen denken aan nieuwe zaadjes. Mosterdzaadjes denken alleen aan mosterdbomen en mosterdbomen denken alleen aan nieuwe mosterdzaadjes. Mosterdzaadjes denken nooit aan vogels. Vogels vallen buiten het denkkader van een mosterdboom. Vogels zijn vreemde vogels voor een boom. Vogels als vruchten aan een boom, een prachtig beeld voor het ongerijmde, het onverwachte. Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, in geen mensenhart is opgekomen wat God heeft weggelegd voor wie Hem liefhebben. Het kan raar lopen in het leven: een boom draagt vrucht in een nest, een boom baart een vogel.

Gods koninkrijk houdt zich niet aan onze logica. Gods toekomst ligt niet in het verlengde van onze verwachtingen. Wie weet wat ons te wachten staat. Hoe groot, hoe onmetelijk groot is de hoop die God in onze harten heeft neergelegd. Het kleinste kan het grootste van God blijken te zijn. Wat niets is kan blijken alles te zijn, Gods kracht.

Bidden wij dat Gods liefdeskracht die in ons is uitgezaaid ontkiemt, opschiet en rijpt om door Hem geoogst te worden, wie weet wanneer en hoe?

 

Kees Waaijman O.Carm.