Zondag 15 juli 2024

Marcus 6, 7-13

Jezus riep de twaalf bij zich, en begon hen twee aan twee uit te zenden, en Hij gaf hun macht over de onreine geesten.
Hij gebood hun om niets mee te nemen voor onderweg dan een stok – geen brood, geen reistas, geen geld in de beurs – wel sandalen aan te doen, maar geen twee stel kleren aan te trekken. Hij zei tegen hen: ‘Als je bij iemand onderdak krijgt, blijf daar dan tot je weer verder reist. En als je ergens niet ontvangen wordt, en ze luisteren niet naar jullie, ga daar dan weg, en stamp het zand van je voeten: een getuigenis tegen hen!’ Ze gingen op weg en riepen op tot bekering. Ze dreven veel demonen uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen.

Jezus begon de leerlingen twee aan twee uit te zenden. Ze werden met lege handen op weg gestuurd, met niets meer dan Jezus’ boodschap van Gods onvoorwaardelijke Liefde. Zoals in de voortgang van de verhalen vaak blijkt, konden de leerlingen de volheid van dat goddelijke LiefdeWoord nog maar half begrijpen. Daarom werden ze misschien twee aan twee uitgezonden. Behalve een stok en sandalen aan hun voeten – het absolute minimum als je te voet op weg gaat – mochten ze ‘geen brood, geen reistas, geen geld in de beurs meenemen, en geen twee stel kleren aantrekken’. Zij hadden alleen een zuiver hart nodig om het goddelijke LiefdeWoord in uiterste puurheid in zich op te nemen en uit te dragen. Dat hoeft immers nooit aangevuld en uitgelegd te worden met onze eigen diepzinnige gedachten of invallen. Het ene LiefdeWoord is weliswaar uiterst kwetsbaar in het lawaai van ons angstige hart en in het tumult waarmee iedereen schreeuwt om aandacht voor het eigen belang en de eigen behoeften. Angst en overlevingsdrift houden ons gevangen in de logica van de menselijke voorwaardelijkheid. In plaats van ons gelovig uit te leveren aan de onvoorwaardelijkheid van de goddelijke Liefde, ruilen we al te gemakkelijk de liefdevolheid van God in voor de willekeur van andere mensen. Om zonder God toch aan onze trekken te komen, sluiten we een slim akkoordje met elkaar: ‘ik geef jou liefde en aandacht opdat jij met gelijke munt terugbetaalt’! We weten wel dat dit een doodlopende weg is en een loterij want we willen er allemaal net iets beter van afkomen, ook al gaat dit ten koste van de ander.

De tweede opdracht waarmee Jezus Zijn leerlingen op pad stuurde, was de onvoorspelbaarheid en onzekerheid om onderweg ergens onderdak te krijgen. Zonder geld in hun beurs en met lege handen, hadden ze aan een mogelijke gastheer of gastvrouw niets anders te bieden dan het goddelijke LiefdeWoord dat zij predikten. Als deze persoon naar dit LiefdeWoord zou luisteren en aangestoken door dit Woord hen ontvangen, dan moeten de leerlingen zonder nadenken deze gastvrijheid met dankbaarheid aanvaarden en daar blijven tot ze verder reizen. Ze kunnen niet op zoek gaan naar het beste en meest aangename onderdak want de Liefde kent geen vergelijking en is nooit ten dele. Andersom wanneer ze niet ontvangen worden en er niet geluisterd wordt naar hun prediking van de Liefde, dan moeten ze zonder dralen daar ‘weg gaan en het zand van hun voeten stampen als een getuigenis tegen hen’. De Liefde is immers zonder omwegen en is nooit het onderwerp van een compromis. Er is nooit sprake van ware liefde als het goed uitkomt of wanneer het voordeel oplevert. Zonder uitzondering is iedere mens geroepen om zich totaal over te geven aan de eisen van de Liefde. Het antwoord op die roeping is een ja of een nee, en kent geen misschien of eventueel later. Ook voor ons is het wezenlijk dat wij de prediking van het goddelijke LiefdeWoord niet alleen horen maar daar ook naar luisteren, dat wil zeggen het opnemen in ons hart en onze ziel zodat het ons hele leven, ons spreken en ons handelen doordesemt en diepgaand omvormt.

De leerlingen ‘gingen op weg en riepen op tot bekering. Ze dreven veel demonen uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen’. Zij riepen hun luisteraars dus op om hun eigenmachtigheid en zelfbetrokkenheid, met andere woorden hun gerichtheid op hun eigen ‘ik’, los te laten en hun hele wezen gerichtheid te laten zijn op de ene God van Liefde. Dat is ook wat er nu van ons gevraagd wordt. Ons leven moet in totale zelfvergetelheid worden tot pure gerichtheid op God. Onze geest moet bevrijd worden van de talloze ‘demonen’ die ons verleiden om ons leven een rondedans te laten zijn rondom ons ‘ik’ dat zichzelf tot God maakt. Ook ons lichaam moet genezen worden van de slavernij aan onze eigen behoeften waardoor we vergeten dat het de tempel is van Gods aanwezigheid. Wij zijn immers geschapen met lichaam en ziel, opdat we met ons hele wezen God gaan zien, in iedere mens en in de hele schepping die Gods beeld in zich draagt.

 

Hein Blommestijn