Zondag 13 september 2026
Bij de Evangelielezing van Matteüs 18, 21-35
Een korte vraag van Petrus leidt deze week tot een lang antwoord van Jezus. Petrus vraagt aan Jezus hoe vaak hij zijn broeder moet vergeven, als die hem iets misdoet. Zelf doet hij de suggestie: tot zevenmaal toe? Dat klinkt best gul. Jezus zou daar een kort antwoord op kunnen geven: ‘ja, dat is prachtig, als je dat kunt doen’. Of: ‘welnee, als je je broeder drie keer vergeeft is dat genoeg’.
Maar een dergelijk antwoord geeft Jezus niet. Hij komt met de parabel over de koning met zijn dienaren, en de schuld die de dienaren hebben ten opzichte van de koning, en de schulden die de dienaren onderling hebben en hoe ze daarmee omgaan. ‘In dit opzicht’, zo zegt Jezus ‘gaat het met het koninkrijk der hemelen als met een koning die met zijn dienaren afrekening wilde houden’.
Daarmee verbreedt Jezus de kwestie enorm. Hij plaatst de situatie tussen twee mensen (iemand die misdoet aan zijn medemens), in de context van het ‘koninkrijk der hemelen’, in de context van de wereld waarin God koning is.
In de parabel gaat het veel over schuld en betalen. Dat vond ik in eerste instantie wat vreemd. Om wat voor schuld gaat het dan?
Wij gebruiken het woord ‘schuld’ in zo’n situatie, waarin de ene mens de ander iets misdoet, net wat anders, volgens mij. ‘Het is jouw schuld!’, kunnen we dan uitroepen, of eerlijk bekennen ‘het is mijn schuld’. Maar zo’n schuld kun je toch niet ‘betalen’? Wij drukken daar meer een feit mee uit: wie heeft er misdaan, wie heeft schade veroorzaakt? Wie is er verantwoordelijk voor de pijn die is aangericht?
Ik hoor in hoe Jezus erover spreekt meer iets van een concrete schuld. Als jou iets pijnlijks is aangedaan, of iets van jou is kapot gemaakt, afgenomen, dan mag je verwachten dat degene die dat veroorzaakt heeft jou tegemoet komt, om wat mis gedaan is, goed te maken. Om bijvoorbeeld iets wat kapot is te laten repareren, of te vervangen. In die zin ontstaat er een ‘schuld’, waar de een de ander misdoet, de veroorzaker is de gekwetste persoon wat verschuldigd.
Hoewel het natuurlijk lastig is te bepalen hoe ‘hoog’ de schuld is, als het meer om immateriële dingen gaat (als je bijvoorbeeld iemand in zijn goede naam schendt, of haar integriteit), ik vermoed dat we wel aanvoelen, dat als er iets verkeerd gedaan wordt door iemand (door onszelf of een ander), dat het redelijk is, dat je mag verwachten, dat degene die fout doet iets doet om het goed te maken. In die zin dus iets ‘verschuldigd’ is, een schuld heeft.
In de parabel klinkt het daarom heel vanzelfsprekend dat de koning op een gegeven moment de schuld die iemand ten opzichte van hem heeft wil innen. Maar de dienaar blijkt de schuld niet te kunnen betalen. Hij smeekt de koning geduld met hem te hebben. En de koning blijkt daar gevoelig voor. In onze bijbelvertaling staat ‘de heer kreeg met de dienaar te doen’. In de Statenvertaling, die vaak nog iets letterlijker is, staat het nadrukkelijker: ‘met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde’. Het raakt de koning tot diep in zijn innerlijk. Hij is bewogen om die mens die in de schuld staat maar die schuld niet kan betalen. En van daaruit laat hij hem vrij en scheldt de schuld kwijt.
Dat is zoals vergeving hier naar voren komt: vanuit een innerlijke bewogenheid om degene die iets fout gedaan heeft, en iets zou moeten doen om het goed te maken maar dat niet kan, vrij te laten en niet gebukt te laten gaan onder die schuld, maar de schuld vrij te kwijten. Je bent fout geweest, maar ik laat je niet zitten met een onbetaalbare schuld.
Door op deze wijze te spreken over het koninkrijk van God, roept dat de vraag op hoe het zit met onze verhouding tot God. Staan wij bij Hem in de schuld? Ik denk dat we daar niet lang over hoeven na te denken. God geeft ons het bestaan om niet, hij vraagt ons de schepping te behoeden, ons aan zijn richtlijnen te houden van zorg en liefde voor elkaar, en ons met heel ons hart, heel onze ziel en al onze krachten open te stellen voor zijn liefde… Wie van ons voldoet daaraan? Hoe vaak misdoen wij, dagelijks, niet tegen elkaar, tegen de schepping en kwetsen wij zo onze Schepper tot diep in zijn liefhebbende Hart?
Het is ondenkbaar dat wij al die misstappen (kleine en grote) zouden kunnen vergoeden aan God. Wat een genade, dat God om ons bewogen is, en ons keer op keer op keer vergeeft, ons vrij spreekt, ons nieuwe kansen geeft!
Jezus daagt ons met de parabel uit, om ons daar bewust van te worden. Om te kunnen leven zijn we aangewezen op de liefdevolle vrijspraak van onze God.
Als we dan de vraag van Petrus opnieuw beluisteren: ‘Heer, hoe vaak moet ik mijn broeder vergeven als hij mij iets misdoet? Tot zeven keer toe?’, dan klinkt dat helemaal niet meer zo gul. Eerder pietluttig. Zeven keer vergeven? Dat is niks, vergeleken met de vergeving die we zelf nodig hebben, en keer op keer van onze hemelse koning, onze hemelse Vader ontvangen.
De dienaar in de parabel wordt 10 duizend talenten, wat een gigantische hoeveelheid geld is, kwijt gescholden, maar zijn mededienaar die hem een 100-tal denariën verschuldigd is betoont hij geen barmhartigheid. Dat roept verontwaardiging op. En is een spiegel voor onszelf.
Aan het eind van de parabel daagt Jezus ons uit ‘van ganser harte’ te vergeven.
Vergeving is een beweging vanuit het hart. Een bewogenheid om de ander, en om een menselijke omgang met elkaar. En de ander en onszelf niet vast te zetten in pijn en schuld.
Dat wij, met de profeet Micha, blijven gedenken
‘Wie is God als U, die de ongerechtigheid vergeeft,
die voorbijgaat aan de zonde (…)
die Uw toorn niet altijd laat duren, maar vreugde vindt in goedheid’
Dat wij leren de pijn die we elkaar aandoen te erkennen, creatief te zijn in het goedmaken wat fout gegaan is, en ruimhartig vergeven als dat nodig is om verder te komen met elkaar.
Marieke Rijpkema

