Zondag 17 oktober 2021

Overweging Marcus 10 35-45

Jezus gaat zijn leerlingen voor naar Jeruzalem, horen we in het evangelie. In die tocht vind je een dubbel spoor: de jaarlijkse pelgrimage naar het Paschafeest der Joden, en de unieke pelgrimage naar Jezus’ eigen offerdood. De wil van de Vader en het willen van Jezus vloeien ineen bij de jaarlijkse viering van het slachten van het paaslam.

Hij maakt het doel van de pelgrimage bekend aan zijn leerlingen. De tocht is een leer die je gaat met je ogen, je hart en je voeten. De leerling wordt meegevoerd in die nog niet bekende diepte van Jezus. Er heerst schrik en angst.

Ook de levensweg van mij en van ons biedt momenten en een eindpunt waarvan ik schrik en waartegen ik mij verweren kan, omdat ik mijn eigen veilige weg die ik als de mijne zie, niet wil verliezen. Maar kan ik mijn levensweg ook geven als een liefdesgave uiteindelijk niet door mij beschermd en vast gehouden, maar door God vastgehouden en door mij uit handen gegeven?

Als dit de weg is van zijn volgelingen, het onbekende in, hoe ga je dan? Elke leerling draagt een eigen voorstelling bij zich over het gehoorde en Jezus daarentegen de diepte van het lijden en de toekomst vanuit God: uit de dood opstaan.

Bij de twee broers lijkt de schrik afwezig. We kennen hen van een eerdere gebeurtenis als felle mensen: Jacobus en Johannes. De twee broers hebben met Petrus de heerlijkheid van Jezus op de berg Tabor meegemaakt. Ze hebben net als Petrus alles prijsgegeven, zijn dus al ver gegaan om Jezus te volgen. Maar net als de rijke jongeling hebben ze één ding niet prijsgegeven: een ding ontbreekt hun. Ze zijn nog niet los van hun vooringenomen aspiratie over de heerlijke toekomst. Ze wanen zich nu reeds naast de verheerlijkte Jezus als potentiele machthebbers.

Hun probleem is dat ze zichzelf een plaats willen geven naast Jezus in zijn heerlijkheid. Zichzelf een plaats geven, dat zit in ieder van ons. Het fenomeen van de pikorde kennen we. Dikwijls zit je op een andere plaats in de rangorde van de gemeenschap dan die je jezelf hebt toegedacht en je voelt je vernederd of te hoog geschat. Soms merk je dat, wanneer iemand je eens even op je plaats zet, figuurlijk. Soms manipuleer je jezelf bewust naar een hogere plaats in de gemeenschap.

Dan volgt het antwoord van Jezus aan de twee broers. Hierbij denk ik aan het volgende. Vaak moet ik met mensen die ik bezoek, terugkijken op hun levensweg. Onvoorstelbaar veel is gebeurd. Als ik vraag: stel dat je even weer jong bent en ik noem je de dingen van je verdere leven. Zou je dat alles aankunnen? Zou je je kunnen voorstellen dat je een kind gaat krijgen dat met messteken op zijn broer ingaat? Dat je door alle problemen steeds meer verwijderd geraakt bent van de partner die je als jong mens zo bemint; dat je met moeite de touwtjes aan elkaar moet knopen, jarenlang? Kun je zo’n levensbeker drinken? Achteraf moet je zeggen dat je die beker gedronken hebt of je nu wilde of niet.

In hun overmoed zonder hun plaats te kennen willen de twee broers dezelfde ellendige beker drinken als Jezus te drinken krijgt. Ze zullen die drinken zegt Jezus, maar Hij kan ze niet door een onderlinge afspraak met hen naar de gewilde hoge plaats brengen.

Hoe nu wijzelf?

Ook wij krijgen te drinken uit de beker van het leven waarvan we gehoord hebben, maar de volle inhoud kennen we niet. Is het een beker die ik zelf wil vullen met mijn eigen voorstellingen en ambities of laat ik hem vullen door God die ik ontvangen wil in mijn doen en laten en in de omgang met mijn medemensen en de natuur. Is het brood dat we breken en de beker waaruit we drinken in eenheid met Jezus die zich heeft gegeven in dienstbaarheid? Wekt Hij in mij zijn dienende liefde op? In dat geval voltrek ik zijn evangelie, volvoer ik zijn vreugde.

 

Paul Reehuis O.Carm.