Zondag 29 november 2020

Overweging Jesaja 40, 1-11 evangelielezing: Marcus 1, 1-8

‘Jouw weg naar ons gebaand door de woestijn’ (acclamatie op het Evangelie). En aan het begin van de viering zongen we: ‘Zie de Heer komt. Horen laat Hij zijn stem in heerlijkheid’.
De lezing van Jesaja begint met ‘Troost, troost toch mijn stad. Spreek Jeruzalem moed in’.

We zijn altijd geneigd om rond om ons te zien wat er mis gaat. Wat mensen verkeerd doen. Wat wij zelf verkeerd doen. Maar de boodschap van Jesaja is: de schuld is vereffend. God heeft ons aangepast aan zichzelf. Door de woestijn, door de steppe, door dat land dat droog is, dat ongebaand is, waar we verloren lopen, God heeft ons aangepast en ons verlost van onze onaangepastheid. De straftijd is voorbij. Onze ongerechtigheid is vergeven.

Een stem roept in de woestijn: baan de weg, baan de Heer een weg, effen baan. Een weg zonder hobbels. Al die hobbels in ons, al die dingen waardoor wijzelf struikelen of anderen laten struikelen. Baan die weg waardoor God binnen kan treden. Elk dal moet gevuld, ieder dal waarin wij in de put zitten, waarin we met onszelf begaan zijn. Last hebben van zelfmedelijden. Laat dat weggenomen worden, opdat Hij kan binnentreden.

De ruimte is in onze ziel. Elke berg en heuvel moet geslecht worden. iedere verhevenheid, iedere trots, iedere hoogmoed waarin wij menen het zelf wel te redden, God niet nodig te hebben. Waarin we menen dat Hij niet hoeft te komen, omdat wij zelf alle ruimte innemen. Alle oneffenheden moeten vlak gemaakt worden, alles waardoor wij niet vrij zijn, waardoor we op onszelf terugbuigen, in zelfbetrokkenheid. Waardoor er geen ruimte is dat we de ander zien, dat we werkelijk oog hebben voor de ander. Dat we werkelijk samen leven, in liefde samengebracht worden de rotsmassa’s moeten een vallei worden, iedere vorm verharding, van zelfverdediging waardoor we de ander afweren, buiten onze veilige ruimte houden.

Dat moeten wij doen maar eigenlijk hoeven we alleen maar toe te laten dat Hij dat in ons afbreekt. Dat hij door te komen, door binnen te treden bij ons, iedere weerstand weg haalt.

Verschijnen zal de glorie des Heren en alle vlees zal ervan getuigen. Getuigen van wat de mond des Heren heeft gezegd, wat Hij ons heeft toegezegd. Dat Hij ons bemint. Uw god is op komst, Hij komt in glorie, Hij komt in kracht, Hij komt met heerschappij en Hij brengt loon mee, de beloning, het leven dat gegeven wordt waardoor we tot leven komen, waardoor we uit de dood opstaan en uit de duisternis. En dan drukt Hij ons op zijn hart zoals lammeren en Hij leidt ons met zachte hand op weg naar Hem. Ons diepste verlangen volgend. Wetend dat Hij ons bemint en niets liever doet dan ons naar zich toebrengen. En daarom komt Hij in ons midden, vervult Hij onze werkelijkheid met zijn aanwezigheid. Laat Hij ons tot leven komen, zodat wij opstaan uit de dood waarin we onszelf opsluiten, de gevangenis van onze zelfbetrokkenheid.  De gevangenis waardoor een andere mens geen toegang heeft.

Hij breekt die weerstand af. Door te komen, door zijn aanwezigheid in ons leven zichtbaar en voelbaar te maken. Zichtbaar en voelbaar in onszelf, ook in de andere mens die wij ontmoeten, die we tegenkomen.

Bidden wij dat wij werkelijk open komen om kerstmis te kunnen vieren. Om te kunnen vieren dat zijn Zoon, zijn meest geliefde Zoon in ons midden is. Gekomen in ieder van ons. Te vieren dat Hij iedere dag weer opnieuw, geboren wil worden.

 

Hein Blommestijn O.Carm.