Zondag 20 september 2026

Bij de Evangelielezing van Matteüs 20, 1-16

Als ik naar het evangelie luister, wat hoor ik dan? Hoor ik mijzelf en in mij de herhaling van dingen die ik al weet en mij niet meer iets nieuws zeggen? Is mijn hart er nog bij?

Om te beginnen het koninkrijk der hemelen, waarmee de parabel begint, dat is voor Jezus een realiteit die Hij ziet gebeuren. Hemelen is een aanduiding voor zijn hemelse Vader, onze Vader. Het gebed: ‘Uw rijk kome’ is voor Hem en zijn leerlingen geen rijk dat achter de horizon van dit leven verwacht wordt of in de toekomst waar God alle tranen van de ogen zal afwissen, maar het is iets dat in dit leven binnenkomt. Dat is onze Vader koning laten zijn, hier en nu. God God laten zijn in je samen leven. Bij monde van Jesaja zegt Hij: ‘Ik ben nabij, maar uw gedachten zijn niet mijn gedachten’. Kan ik zo’n anders zijn verdragen als het dicht op de huid komt? Kunnen wij het van het Onze Vader wel verdragen als het dicht op de huid komt? Hoe en wanneer en voor wie komt dat koninkrijk der hemelen binnen in dit leven dat we met elkaar leven, is het voor iedereen? Dat lijkt mij de kwestie.

In het samen lezen van de parabel op donderdagochtend wezen enkele mensen mij op de kwetsbaarheid in de arbeiders, zowel die van het eerste uur als die van het laatste uur. De kwetsbaarheid van de eerste arbeiders zit hem in wat ze aan zware arbeid gepresteerd hebben, dat vraagt verdiende erkenning en als die niet komt dan voel je je vernederd.
De kwetsbaarheid van de laatste arbeiders is de hele dag geen werk hebben en niet gevraagd worden; ook dat geeft een vernederend gevoel. We herkennen het maar al te goed: niet gevraagd worden, niet nodig zijn!
Provocerend vind ik de streek die de eigenaar van de wijngaard met alle werkers uithaalt. Nadrukkelijk laat hij de arbeiders van het eerste uur getuige zijn van de uitbetaling van de mensen die maar een uur en niet twaalf uur gewerkt hebben. De eerste arbeiders in het koninkrijk van de hemelen zijn ongelukkig over hun uitbetaling. Niet omdat zij het verdiende loon ontvangen hebben, maar door hun verbeelding en door zich te vergelijken met de laatsten. Door naar de anderen te kijken verliest hun eigen harde werken aan waarde in eigen ogen. Dat harde werken de hele dag! Wat zijn we nog waard als de laatsten van één uur even veel krijgen? Ze zien wat de anderen krijgen en maken zichzelf ongelukkig. Hun werk is hun nu niets meer waard dan dat van de allerminste werkers!

Waarschijnlijk is dit de ervaring van Jezus’ eerste leerlingen die alles in de steek gelaten hebben, huis en haard vrouw en kinderen, dagenlang met Hem zijn meegegaan en nu ervaren dat Jezus de laatste mensen evenveel geeft als de eersten, nl. het koninkrijk der Hemelen en zijn eigen leven.
Maar altijd is het in de gemeenschap waar God God is, waar wij onze Vader onze Vader laten zijn. Dat in zijn rijk iedere zelfbeloning ophoudt.

Wij zijn de gemeenschap die gevraagd wordt Onze Vader te zeggen, Uw Rijk kome. Hij is het die de zon laat opgaan over goeden en kwaden. Hij ontbindt onze verbeelding en roept ons op om mij met nieuwe ogen en een nieuw hart aan Hem en onze medemens te binden zodat zijn invloed in onze gemeenschap komt en zijn rijk begint. Dat is het rijk van zijn onvergelijkbare goedheid, maar kan ik die goedheid voor anderen verdragen zonder mij tekort gedaan te voelen? Kan ik het Onze Vader verdragen?

 

Paul Reehuis