Zondag 19 april 2026
Het is de derde dag. Twee leerlingen waren op weg naar Emmaüs; weg uit Jeruzalem, weg van de plaats waar Jezus gekruisigd is. Teleurgesteld, verdrietig. Ze hadden zoveel meer verwacht van Jezus. Ze waren geraakt door hoe hij, in woord en daad, een machtig profeet was. Ze hadden gehoopt, dat hij Israël zou bevrijden, maar nu is hij ter dood veroordeeld en gekruisigd. Weg is de hoop, de bevrijding…
En dan, na drie dagen, is er de verwarring. Enkele vrouwen uit hun midden vonden het graf leeg; ze vertelden dat engelen aan hen waren verschenen die zeiden dat hij leeft. Ook anderen hebben het graf bezocht – het was leeg. Jezus was er niet. De kruisiging heeft hen ontdaan van de hoop op bevrijding, en nu zijn ze verward. Zo zijn ze op weg; weg uit Jeruzalem, weg van de anderen. Afstand nemend.
En dan komt er onderweg iemand naar hen toe die met hen oploopt. Wij horen dat het Jezus is, maar de ogen van de twee reizigers werden vertroebeld zodat ze hem niet herkennen. Gelukkig maar, want doordat ze hem niet herkennen krijgen ze de ruimte om zich onbevangen uit te spreken. Al oplopende vertellen ze wat er gebeurd is in Jeruzalem. Ze vertellen vrijuit over hun hoop, hun teleurstelling, hun verwarring.
En dan begint de vreemdeling te spreken. Hij verklaart hun de Schriften, beginnend bij Mozes en de profeten verbindt hij hemel en aarde. Hij doet dat met een hele spannende zin: ‘Moest de Messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’ Moest dat niet? Een weg moet afgelegd worden; zoals Abraham zijn land moest verlaten om in Kanaän een groot volk te worden; zoals het volk Israël 40 jaar door de woestijn moest gaan, op weg naar het beloofde land; zoals het volk in ballingschap werd gevoerd en weer terugkeerde; zoals wijzelf – en ieder van ons – onze weg moeten gaan. Of zoals Jan van het Kruis zegt: ‘Om te komen… moet je gaan’.
Die weg gaan valt soms zwaar. Het is een hele opgave, om in ervaringen van crisis, om daar in te gaan staan. Een opgave en tegelijk een grote kans – zo blijkt uit vele getuigenissen van mensen die de weg gegaan zijn – Ja-zeggen en aanvaarden: ‘dit is de weg die ik moet gaan’. Dan kunnen we ook opstaan ten leven. Op de derde dag…
Voor de Emmaüsgangers gebeurt dat op die derde dag ook. Hun hart is gaan branden, bij het horen van de vreemdeling die de Schriften verklaarde en die het brood brak en uitdeelde. Nu hebben ze Hem herkend, de Verrezene, de Levende. Ze hebben het ervaren, en de schellen vallen van hun ogen. Ze staan op en draaien zich om, terug naar Jeruzalem; terug naar de gemeenschap van leerlingen. En daar getuigen ze van wat ze ervaren hebben onderweg en horen ze de getuigenis van Simon die ook Jezus’ aanwezigheid heeft ervaren.
Ze hebben hem herkend in het breken van het brood, in die handeling, in dat het gebaar. Een gebaar dat niet enkel een gebeurtenis is uit een ver verleden, maar wat steeds opnieuw gebeurt – overal ter wereld – ook hier in ons midden. Hij is verrezen, en we kunnen hem herkennen in een woord, een gebaar, in mensen, in de schepping.
De verrijzenis is een heilsgebeuren dat nù plaatsvindt, dat nù aan ons gebeurt; het is een werkelijkheid die tot de wereld van verleden, heden én toekomst behoort; de verrijzende Christus voltrekt zich – iedere dag. En niet alleen het breken van brood, maar in elk opstaan van mensen, hoe klein en bescheiden ook. Ieder opstaan ten leven, is deelnemen aan de verrijzenis, is een getuigenis van de Verrijzende Christus in ons midden. Daar mogen we ons aan toevertrouwen.
Dat wij in alle wanhoop van deze tijd blijven geloven in verrijzenis en dat wij de Verrijzende Christus mogen ervaren, midden onder ons, in deze wereld.
Anne-Marie Bos

