Zondag 26 april 2026
Johannes 10, 1-10
Waarachtig, ik verzeker u (‘Amen, amen, ik zeg jullie’)…. Het evangelie vandaag begint met twee sterke bevestigingen. Waarom niet een keer een bevestiging? Bijvoorbeeld alleen maar: ‘ik verzeker u.’ Het is alsof Jezus zich eerst van zichzelf moet vergewissen: het is werkelijk zo, voordat hij dit met zekerheid aan de toehoorders doorgeeft. Dit is typisch iets van het Johannesevangelie.
Verder, lettend op het woordje ‘ik’ horen we in het evangelie van Johannes, dat Jezus voortdurend in zijn ik-zeggen, zegt: de Vader spreekt! Hij openbaart de Vader. Wie hem niet afwijst maar aanvaardt, aanvaardt de Vader.
Dus: ‘Waarachtig, ik verzeker u’ kun je horen als bevestiging van Jezus zelf als sprekend namens de Vader en vervolgens naar de toehoorders toe, en nu naar ons hier in deze gemeenschap.
Dan roept Jezus het beeld op van een schaapstal met de nadruk op de functie van de deur, waardoor de herder zijn schapen tegemoet komt. Daarbij is éen herder, de goede, die de schapen bij name kent en de schapen kennen zijn stem, en er is maar éen deur, waardoor de deurwachter de herder binnenlaat. Vreemden en dieven die de kudde bedreigen gaan langs een andere weg naar binnen als ze kunnen. En dan nog zullen de schapen voor hen wegvluchten.
Als dit beeld is opgeroepen zegt Jezus: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: – weer die dubbele bevestiging! – Ik ben de deur voor de schapen. Jezus is de deur waardoor heen de goede herder zijn schapen roept.
Jezus is als een deuropening waar door heen de Vader roept. Hij is slechts de deur.
‘Ik ben de deur; wie door Mij binnenkomt, zal gered worden en weide vinden.’
Wat mij opvalt nu, wat eigenlijk heel gewoon is nl. dat je je zelf aanduidt met het woordje ‘mij,’ bijv.: Ik geef mij over.
Maar dan hoor ik weer iets dat mijn nieuwsgierigheid wekt: Ik ben de deur, wie door mij binnenkomt. De manier waarop hij zich benoemt is: een open persoon zijn. Daar kan iemand doorheen gaan naar dezelfde persoon als waarvan Jezus zelf is uitgegaan: naar de Vader.
Hadewych, de Vlaamse mystica uit de Middeleeuwen, spreekt in de 18e brief over haar ziel als een doorgang. God gaat daar door heen in haar eindeloze diepte En de ziel gaat door de eindeloze diepte die God is.
Wat is het mooi als je eigen persoon doorgang voor je zelf en een ander is en doorgang geeft naar de diepte waaruit je zelf het leven hebt ontvangen en dat je zelf eindeloos in die bron van liefde gaande, leven vindt.
Wat is het mooi als je eigen persoon een open deur is naar de bron, het leven zelf, en jijzelf eindeloos gaande in die bron van leven, de Vader.
Je eigen persoon, waardoorheen de stem van de Vader te horen is die mensen roept om voluit mens te zijn, zoals we door hem bedoeld zijn. Een mens als Jezus die een open deur voor God en mens is.
Petrus, in zijn eerste brief, tekent ons hoe die weg is voor jezelf: het vraagt geduld, het geeft lijden. De deur die Jezus in het evangelie opende, was de weg van lijden en dood, maar ook verrijzen uit de dood. In deze viering trachten we te gaan door die deur en binnen te gaan.
Paul Reehuis

