Zondag 24 november 2019

Overweging naar Lucas 23, 35-43

(Feest van Christus Koning)

Het is een buitengewoon merkwaardig gebeuren dat zich buiten Jeruzalem voltrok daar op die Schedelplaats Golgota. Terwijl daar drie jongemannen aan het kruis hangen te sterven, onder wie Jezus van Nazareth, wordt er druk gesproken. Allereerst de religieuze leiders van Israël. Zij spreken Jezus aan op wat Hem het meest ter harte gaat: mensen redden uit de verlorenheid. Maar nooit heeft Hij gezegd, dat Hij zelf uit eigen kracht ooit iemand heeft gered. Altijd wees Hij naar God als Degene die mensen redt en naar het vertrouwen in God als bron van hun redding. Toch sarren zij Jezus nu met de woorden: ‘Anderen heeft hij gered, laat hij nu zichzelf redden, als hij de Gezalfde van God is’. De Romeinse soldaten sluiten zich bij deze verdraaiing van de werkelijkheid aan: ‘Als jij de Koning van de joden bent, red dan jezelf’. Opnieuw geen God te bekennen. Enkel een machtige koning die reddend rondtrekt en op eigen kracht te werk gaat. Bij dit eenstemmige koor van zelfredzaamheid, voegt zich een misdadiger die met Jezus gekruisigd is: ‘Als jij de Gezalfde bent, red dan jezelf en ons erbij!’. Ook deze misdadiger doet een beroep op het reddende vermogen van Jezus. Opnieuw een redding zonder God, een redding zonder vertrouwen, een redding op eigen kracht.

De eenstemmigheid van de zelfredzaamheid wordt doorbroken door de tweede moordenaar. Hij is de eerste die God ter sprake brengt: ‘Heb jij geen ontzag voor God?’ Ontzag voor God: huiver voor het onuitsprekelijke Geheim van leven en dood: schroomvol naderen bij het huiveringwekkende gebeuren van een onschuldig mens die vermoord wordt, in koelen bloede. Ontzag voor God: ‘Jezus, denk aan mij, wanneer jij komt in het koninkrijk van God, in het gebied waar God koning is’.

Tenslotte horen wij de stem van Jezus: ‘Vandaag nog zul je met mij zijn in het paradijs’, dat wil zeggen: Jouw sterven, vandaag, zal gezaaid zijn in de tuin van alle leven, God.

Vijf stemmen hoorden wij spreken: de religieuze leiders van Israël, de Romeinse soldaten, de twee misdadigers aan het kruis en Jezus. Twee zijn er die zwijgen: het volk en God. Wat zouden zij zwijgen? Wat geeft hun stilte te verstaan?

Laten wij eerst luisteren naar de stilte van het volk, dat zwijgend toekijkt. Zojuist had het volk eenstemmig geschreeuwd: ‘Kruisig hem! Kruisig hem!’ Ieder alternatief hadden zij luidruchtig afgewezen, ja zelfs: ‘Luid schreeuwend bleven zij zijn kruisiging eisen, en hun geschreeuw gaf de doorslag’, aldus Lucas. Nu is het stil. Doodstil.

Het volk kijkt zwijgend toe. De leeuw heeft zijn prooi verslonden. Het roofdier is voldaan en tevreden gesteld. Zijn honger is gestild. Het volk kijkt zwijgend toe. ‘Verzameld zijn wij rond het kruis van de Gezalfde’, baden wij bij het begin van deze viering. Wij zijn het volk, het volk van God. Zijn wij ons ervan bewust met elkaar stilzwijgend verbonden te zijn in het kwaad zoals Paulus zegt: ‘Christus is voor ons gestorven toen wij nog misdadigers waren’? Durven wij bij deze doodgezwegen solidariteit in het kwaad stil te staan, er stil van te worden?

Maar niet alleen het volk zwijgt. Ook God zwijgt. Deze stilte is soeverein koninklijk. Op geen enkele wijze mengt Hij zich in de samenzwering van het kwaad, die zich hier, buiten Jeruzalem, op de Schedelplaats voltrekt. Stilte. Absolute stilte. Stilte, waarin de Gezalfde van God is opgenomen. Stilte, waarin Gods uitverkorene verblijft. Soevereine stilte, waarin Christus Koning is. Ontzagwekkende stilte. Stilte, waarin de onschuld van Jezus spreekt, die door de honderdman gezien zal worden: ‘Deze mens was waarlijk een rechtvaardige’. Hij zag de stille onschuld die zich niet kan verdedigen tegenover onmenselijk en redeloos geweld. De stilte die de tuin van God is, het paradijs, eeuwig leven bij God. Stilte, de tuin van Gods oneindige barmhartigheid.

‘Jezus, denk aan mij, wanneer je in je koninkrijk komt’. Dat is het wat als vanzelf in mij bidt, wanneer ik door mij heen laat gaan wat hier op Golgota gebeurt. Onschuldig lijden, waarmee ik met ontelbare draden verbonden ben. Hunkering in mij te mogen delen in de oorspronkelijke onschuld die God is, het paradijs, de tuin van zijn oneindige barmhartigheid. Die op ons wacht met onuitsprekelijke verzuchtingen. Die ons tot bloei wil laten komen in zijn stilte. Die hoopt dat gebeuren zal wat wij zongen:

Te midden van jouw volk
ontspringt opnieuw de Bron
van leven, mensen die
zich weren in jouw naam.

 

Kees Waaijman