Zondag 4 december 2022

Overweging naar Matteus 3, 1-12            

Vandaag komt ons vanuit de woestijn een man tegemoet, met kleren van ruw kameelhaar en met een leren gordel om zijn lendenen: Johannes de Doper. Zijn stem komt uit de diepte van de woestijn en roept zo luid hij maar kan: ‘Keer om, ja, het koninkrijk van God nadert.’ Wat betekent dat, omkeer? En hoe hangt deze omkeer samen met het naderen van Gods koningschap?
Omkeer lijkt op het eerste gezicht puur mensenwerk. Ík keer mij af van het kwaad, ík wend mij af van destructie, ík wil niets meer te maken hebben met moord en doodslag, misbruik en geweld. En ík keer mij naar het goede, ík wend mij naar vrede en eerbied, ík zet mij in voor een zo eerlijk mogelijk samenleven om elkaar op te bouwen.

Dit zijn allemaal grote woorden, ik besef het. In werkelijkheid bestaat iedere menselijke omkeer steeds uit hele kleine stapjes, iedere dag opnieuw, met grote bescheidenheid en met hoop in de schoenen. Kleine druppeltjes op een gloeiende plaat, dat zijn mijn daden van omkeer. En toch, ik draag de omkeer als een kostbare schat in mij: mij telkens opnieuw omkeren en het goede zoeken, op hoop van zegen.

Maar dit alles is nog slechts de helft van de omkeer. Het eigenlijke werk van de omkeer is God. Hij is de omkeer zelf. Zoals de profeet Jeremia bidt: ‘Keer mij om, Wezer, mijn Machtige, en ik keer mij om.’ Als Wezer mij niet omkeert, lukt het mij niet mij af te keren van afbraak en geweld en mij toe te keren naar het goede leven van gunnende goedheid en bewaring. Mijn Machtige vormt het hart van mijn omkeer, ja, Hij ís mijn omkeer. Want Hij is de Schepper die ieder ogenblik mij omkeert uit niets en nergens, en mij aan het licht brengt. Hij is de bevrijder die steeds opnieuw openingen maakt in vastgelopen situaties, Hij trekt ons los uit de strikken van het kwaad. Hij is onze verlosser die in het einde ons wegtrekt uit de laatste dood.

Omdat God onze omkeer is, zegt de woestijnmens Johannes: ‘Ja, het koningschap van God nadert.’ Gods koningschap bestaat er immers in, dat God doet wat Hij kan, ieder ogenblik opnieuw, om ons ten goede te keren. Uit alle macht trekt Hij ons omhoog uit de put van verwoesting. Dat gaat niet ineens en niet overal even zichtbaar. Maar Hij wordt niet moe in het verborgene alles ten goede te keren, ook al zien wij niet hoe en in welk tempo.

Het is goed hier regelmatig bij stil te staan en te beseffen: tot hier toe heeft Hij ons ten goede gekeerd. Wij zeggen het met tranen in de ogen, maar tot hier toe heeft Hij ons ten goede gekeerd. We zongen het bij het begin van de viering: ‘Zie de Heer komt, volk op de Sion, allen zal Hij redden. Zie, de Heer komt.’

Hoe zullen wij weten, dat de Heer komt? Hoe bespeuren wij dat zijn koningschap nadert? Luister naar die andere profeet, die in de eerste lezing zijn stem verhief: ‘Zie, gerechtigheid draagt hij als een gordel om zijn lendenen, trouw als een gordel om zijn heupen. De wolf en het lam wonen samen, de panter vlijt zich neer naast het bokje, de koe en de berin sluiten vrede, het kind steekt zijn hand in het nest van de slang. Iedereen op mijn heilige berg keert zich af van het kwade, iedereen keert zich ten goede.’

Dit is het visioen van Jesaja, ook hij een roepende in de woestijn, bovendien de stem van een balling, een man van God. Hij schouwde met tranen in zijn ogen Gods toekomst die nadert. Niet te geloven, zo krachtig en zo hoopvol.

Laten wij bidden in deze dagen naar kerstmis toe om zachte ogen die zien hoe God naar ons omziet met tederheid en kracht, met goedheid en geduld, met grote trouw. Bidden wij om een zacht hart dat stil weent en gevoelig is voor Gods genade die krachtig ingrijpt en ons ten goede keert.

 

Kees Waaijman O.Carm.