zondag 18 november 2018

Overweging bij Marcus 13, 24-32

We horen deze week een gedeelte van een lang leergesprek dat Jezus houdt met vier van zijn leerlingen. Ze zijn net in Jeruzalem en naar de tempel geweest en de leerlingen waren onder de indruk van wat ze zagen. Met Simon Petrus en Andreas, Jakobus en Johannes – de twee stel broers die Hem al vanaf het begin van het evangelie volgen – zit Jezus nu op de Olijfberg, met een schitterend uitzicht op tempel en stad. Maar Jezus heeft hun verzekerd dat van die gebouwen, geen enkele steen op de andere zal blijven; dat alles afgebroken wordt. Petrus nu vraagt door: ‘Wanneer gaat dat gebeuren, en aan welk teken kunnen we herkennen dat het zover is?’

Jezus geeft hierop een uitgebreid antwoord. Hij begint met angstwekkende en chaotische tekenen; strijd en vervolging, aardbeving, hongersnood en weeën, verkrachting, een ‘verwoestende gruwel’ waarvoor ieder moet vluchten. En, zoals we hoorden, niet alleen op aarde, ook in de hemel zullen de krachten geschud worden; zo, dat zon, maan en sterren geen licht meer zullen geven. De duisternis zal compleet zijn.

En dan, … dan zal men zien, zegt Jezus, de Mensenzoon, komende in de wolken, met grote kracht en glorie. Als alles duister is zal men zien… Niet de zon, niet de maan of de sterren geven licht, nee, het is een ander licht dat stralen zal: we zullen de Mensenzoon zelf zien, komende, met grote kracht en glorie. Als ik Jezus goed beluister zegt hij niet allereerst dat dan de Mensenzoon komt maar zegt hij vooral: dat men het dan zal zien. Als alles verduisterd is, dan wordt helder wie de Mensenzoon is. Dan komt Hij aan het licht.

Dit is ook een van de dingen waarin Jezus zijn leerlingen inwijdt: hij probeert aan hen duidelijk te maken wie en wat de Mensenzoon is. De Mensenzoon zal veel lijden – zo zegt hij – met verachting behandeld, uitgeleverd aan de mensen, zal hij gedood worden (Marcus 8, 31; 9, 31). Maar ook heeft de Mensenzoon de volmacht om zonden te vergeven (2, 10), is heer en meester over de sabbat (2, 28), komt in het gezelschap van de heilige engelen, bekleed met de stralende luister van zijn Vader (8, 38), en zal uit de dood opstaan (9, 9). De weg van het lijden die de Mensenzoon gaat, is ook een weg van kracht en glorie.

Jezus gebruikt om dit helder te maken ook het beeld van de vijgenboom: ‘zo gauw zijn tak teder wordt en de bladeren uitspruiten, weet je dat de zomer nabij is’. Het beeld van de vijgenboom brengt in een vreeswekkend verhaal van duisternis, van het botsen en schudden van de aardse en hemelse machten, tederte binnen. Het oog wordt gericht op het vertrouwenwekkende teken, van het zacht worden, het teder worden van de twijg. Mooi, hoe het zachte, kleine en kwetsbare juist teken is, dat juist daar de kracht van nieuw leven, de komst van de zomer, uit blijkt.

Het is niet alleen wat Jezus in zijn lange uitleg beschrijft, in de manier waarop hij het zegt klinkt de inhoud al door: hij begint met de duisternis en verschrikking, een lange, uitgebreide beschrijving. En dan noemt hij in enkele zinnen de vertrouwenwekkende tekenen: hoopvol en vertrouwen wekkend – als we het kunnen horen, we kunnen het alleen horen als we niet blijven steken in de verschrikkingen, onze oren niet afsluiten, niet halverwege afhaken, de oren en ogen open durven houden, voor wat is. Dan kunnen we de tekenen leren zien, de kracht van het kwetsbare, en leren vertrouwen op wat nabij is, voor de deur staat.

Wanneer dit zal gebeuren, wanneer we de Mensenzoon zien komen ‘dan zal hij de engelen uitzenden om zijn uitverkorenen te verzamelen, uit de vier windstreken van het uiteinde van de aarde tot het uiteinde van de hemel’. Dan zullen we verzameld worden, vanuit alle windstreken, uit alle verspreidheden, van achter alle muren, bergen en uit alle diepten en uit de hoogten vandaan, door de engelen bijeengebracht – bij het Ene gebracht.

‘Deze generatie zal zeker nog niet voorbij gaan totdat dit alles gebeurt’. Dat wij mogen zien dat de duisternis niet het begin is van het einde maar het begin van iets nieuws: Dat Hij in ons leven aan het licht mag komen.

Anne-Marie Bos