Zondag 28 november 2021

Overweging Lucas 21, 25-28; 34-36

(Eerste lezing: Jeremia 33, 14-16)

De menselijkheid van de mens, de Mensenzoon, het meest kostbare in de mens, door God met de grootste liefde geschapen, Hij zal haar bewaren. De zachtste plek in onze ziel, waar wij dreigen te verstenen onder het geweld van de elementen, zon, maan en sterren. Het meest kwetsbare in ons dat ten onder dreigt te gaan onder het gebulder van zeeën en golven. De menselijkheid van de mens, de Mensenzoon, hoe blijft zij bewaard, wanneer mensen het besterven van de angst, verstijven van schrik om wat de wereld, onze wereld overkomt en zij verharden van woede?
Jezus geeft ons vijf tips om fier overeind te blijven in deze verschrikkingen.

Ten eerste, zorg dat je niet versuft raakt door de roes van dronkenschap, dat wil zeggen: laat je niet verdoven door lekker dit en lekker dat. Voer jezelf niet dronken. Wees nuchter.

Ten tweede, zorg dat je niet versuft raakt door de zorgen van het leven. Want o die zorgen kunnen je zo dicht aan de huid komen, zo dicht dat er niets anders overblijft dan zorgen. Zorgen zijn net echt, ze zetten je volkomen klem, je kunt geen kant meer op. Laat je niet gek maken.

Ten derde, zorg dat je niet plotseling wordt overvallen, zoals een klapnet dichtslaat boven een argeloos vogeltje. Laat je niet in slaap sussen, je bent meer waard dan een hele zwerm mussen.

Ten vierde, wees waakzaam, want je bent kostbaar, en kwetsbaar. Je bent kostbaarder dan het hele heelal. En je bent kwetsbaarder dan het kleinste vliegje. Dat is je menselijkheid, o mensenkind! Dat is de Mensenzoon die jij bent in de ogen van God, de Mensenzoon die door de wolken breekt in kracht en in heerlijkheid. Je bent voor meer geschapen dan voor angst en beven. Wees waakzaam.

Ten slotte, bid. Bid opdat je moed en kracht krijgt om te ontkomen aan al dat zinloze geweld. Bid met heel je hart, met heel je ziel, met heel je kracht om te ontsnappen aan de verdwazing. Verstijf niet van angst. Verhef je hart. Sta fier overeind voor de Mensenzoon die komende is.

De menselijkheid van de mens, de Mensenzoon. Toen Titus Brandsma in het concentratiekamp Dachau in elkaar werd geslagen door zijn bewaker, bleef hij fier overeind, want hij bleef trouw aan de menselijkheid van de mens. Zijn bril lag in gruzelementen op de grond, maar zijn ogen bleven gericht op de menselijkheid van de mens, de Mensenzoon.

De profeet Jeremia zag diezelfde menselijkheid van de mens, in het diepste duister van de ballingschap, vijfentwintig honderd jaar geleden. Hij zag een kiem van gerechtigheid ontkiemen in het verwoeste huis van David: ‘Een spruit van bewaring zal ontspruiten voor David.’ Jeremia schouwde een bewarende God: ‘Wezer onze bewaring.’ En wij schouwen met Jeremia dit ongelooflijke visioen van bewaring. Al doen onze ogen er zeer van, we houden ze open en schouwen met Titus en met Jeremia de menselijkheid van de mens.

De Mensenzoon komt op een wolk. De wolk van niet-weten. Want wij weten niet hoe en wat, we weten niet waar en wanneer, maar wij vertrouwen: de menselijkheid van de mens wordt bewaard, het meest kostbare en het meest kwetsbare dat een mensenkind is. De oogappel van God.

De Mensenzoon komt op een wolk van niet-weten, krachtig en in heerlijkheid. Het doet zeer aan onze ogen, maar zo blijven ze tenminste open in voortdurend gebed, open voor de Komende die ons bevrijdt. Alle tranen worden gedroogd en Hij zal zijn alles in allen. Ja, onze bevrijding is dichtbij, even dichtbij als onze tranen. Wees dus waakzaam en bid.

Bid, dat we niet in paniek raken,
niet radeloos van angst om ons heen gaan slaan,
dat we onszelf niet verdoven,
niet vermorzeld raken onder de zorgen van het leven,
dat de menselijkheid van de mens in ons overeind blijft,
want dichtbij is hij, de Mensenzoon,
dichterbij dan de tranen in onze ogen.

 

Kees Waaijman O.Carm.