Zondag 16 augustus 2020


Overweging Mattheüs 15, 21-28

Twee weken geleden hoorden we nog over manden vol met brood die opgehaald werden en duizenden mensen die te eten kregen. Vandaag verhaalt het evangelie ons van een vrouw, die slechts een paar kruimeltjes van het brood verlangt te eten. En dat wordt haar nog niet eens zonder meer gegeven. In welke situatie zijn we terecht gekomen?

In het evangelie van vandaag begint Jezus zelf over brood. In antwoord op de bede van de vrouw: ‘Heer, help me’, antwoord Jezus: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven’.

Terwijl die reactie op mij nogal vreemd en cru overkomt, verstaat de vrouw blijkbaar meteen waar Jezus het over heeft. Ze reageert in dezelfde beeldspraak: ‘Juist Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun heer vallen.’

Brood en kruimels, kinderen en hondjes. Waar hebben ze het over?

De eerste keer dat Jezus (in het evangelie van Matteüs) ‘brood’ ter sprake brengt is wanneer Hij in de woestijn is, en daar door de tegenstrever wordt uitgedaagd om stenen in broden te veranderen. Jezus zegt dan, citerend uit de Tora: ‘Een mens leeft niet van brood alleen. Maar van ieder woord dat komt uit de mond van God’ (Matteüs 4, 4; Deuteronomium 8, 3). Brood en woord van God gaan met elkaar meeklinken. Juist in de woestijn, waar het er werkelijk op aankomt, ergens tussen verleden en toekomst, zonder zekerheden, zonder macht, op hoop van zegen onderweg, wordt voelbaar hoe broodnodig we het woord van God hebben. Woord dat toekomst opent, dat de weg wijst, licht brengt in duisternis. Een volk wordt zichtbaar. Hun geroep was gehoord. Ze laten slavernij achter zich, ontvangen de tien woorden, en rapen dagelijks het manna, brood, om van te leven.

In het Matteüsevangelie horen we dat Jezus, niet lang na zijn beproeving in de woestijn, zijn leerlingen leert bidden met woorden als: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ (Matteüs 6, 11).

En de laatste keer dat we ‘brood’ tegenkomen in Matteüs is wanneer Jezus met zijn leerlingen aan tafel zit, het brood neemt, het zegent, het breekt en aan zijn leerlingen geeft met de woorden: ‘Neem en eet, dit is mijn lichaam.’ Brood, woestijn, woord, gebed, leven, zelfgave. ‘Neem en eet.’

Ook het verhaal van de broodvermenigvuldiging krijgt een andere kleur wanneer brood en Woord zo met elkaar gaan meeklinken. Vijf broden en twee vissen, dat is wat al die mensen samen hebben. Zou dat kunnen verwijzen naar de vijf boeken van de Tora, en de profeten en geschriften? Wat is nou dat ene Boek, wanneer de mensenmenigte honger heeft? Maar het blijkt iedereen te voeden. Tot verzadiging toe. Ze houden zelfs twaalf manden vol over. Genoeg voor alle twaalf stammen van Israël.

Maar dan is daar die vrouw, die niet uit Israël komt. Is er dan voor haar geen kruimeltje over? Ze verlangt niet heel het brood, een paar kruimeltjes slechts. En zelfs die verlangt ze nog niet voor zichzelf, maar voor haar dochter, die ziek is. ‘Bezeten’, noemt ze het. Haar dochter is zichzelf niet. Zit gevangen, wordt beperkt, kan niet voluit leven. ‘Heer, help!’

Waar Jezus aanvankelijk nog denkt geen boodschap te hebben aan mensen uit andere bevolkingsgroepen dan de zijne, schudt deze vrouw Hem wakker. Het woord van God is gericht tot ieder mensenkind. Je hoeft niet heel dat volle brood van heel de Tora, de profeten en de geschriften te kunnen behappen, om toch gevoed te kunnen worden vanuit de rijkdom van het Woord. Een kruimeltje, een enkel woord voldoet. Dagelijks eens stukje.

De vrouw wordt door Jezus dan toch gehoord. Hij hoort en ziet haar. ‘Vrouw, groot is uw vertrouwen’. Ze heeft haar onmacht erkend. Zij kan haar dochter niet genezen. Ze heeft haar kleinheid erkend. Als een hondje onder de tafel is ze. Wachtend, verlangend uitziend naar een woord van haar Heer. Ze vertrouwt erop dat dat komt. Ze roept en wacht. En Jezus geeft haar dat woord: ‘Moge het u vergaan, zoals u wenst.’ Of wat traditioneler vertaald: ‘u geschiede, gelijk u wilt’.

En zijn woord valt in vruchtbare aarde. Zoals Maria eens kon zeggen ‘Mij geschiede naar uw woord’, zo geschiedt het woord nu in deze vrouw, en brengt leven voort. Haar dochter geneest, wordt bevrijd tot nieuw leven. Wonderlijk, maar het gebeurt. Wat een geloof, wat een vertrouwen, wat een overgave, laat deze vrouw zien.

Soms denk ik wel eens, als ik iets begin te proeven van dat levende woord van God: ‘Heer, geef me meer. Geef me meer woorden, geef me meer boeken, geef me leraren die mij wijzen, laat mij hóren, raak mij, stil mijn honger!’ En dan zie ik deze vrouw die zich richt tot Jezus, die ene zoon van David, die ene leraar, met haar ene woord: ‘Help mij’. En de ene kruimel die ze krijgt: ‘Moge het geschieden zoals je verlangt’. Dan val je toch stil?

Geef ons heden ons dagelijks brood. Wat meer kunnen we bidden? Een kruimel per dag. ‘Mij geschiede naar uw woord.’ ‘Dit is mijn lichaam.’ ‘Heb lief, met heel je hart.’

Kunnen wij deze woorden, deze kruimels, ontvangen? Daar kun je toch dágen mee voort? Voedsel voor onderweg. Dat ons geloof groot mag zijn, ons gebed oprecht, ons leven ontvangend.

 

Marieke Rijpkema O.Carm.