Zondag  maart 2026

Johannes 4, 5-42

In deze evangeliepericoop lezen we hoe een Samaritaanse vrouw door Jezus begeleid wordt van de buitenkant van haar leven naar de binnenkant. Behalve de wereld van de materie is er ook een diepere werkelijkheid die niet samenvalt met de tijdelijkheid, maar reikt tot in de eeuwigheid.
Als Jezus aankomt in de Samaritaanse stad Sichar bij de Jakobsbron ziet hij een vrouw komen om water te putten. Hij doorbreekt de code dat Joden niet spreken met Samaritanen en zeker niet met hun vrouwen. De Samaritaanse verwondert zich hierover en wijst hem terecht: zijn dorst moet wel bijzonder groot zijn dat hij zoiets doet. Jezus is niet in nood, maar wil haar twee kansen geven. Op de eerste plaats om te ontdekken wie hij is en op de tweede plaats haar te laten weten wat zij van God kan ontvangen, namelijk levend water.
De vrouw reageert op het aardse niveau: zonder emmer kom je niet aan levend water. Bovendien slaat ze Jezus lager aan dan de aartsvader Jakob. Als Jezus haar zegt dat dit water uit de hemel komt en eeuwig leven geeft, wil ze het ook hebben en denkt zich daarmee de dagelijkse gang naar de put te kunnen besparen.

Dan geeft Jezus zichzelf te kennen door te vragen naar haar privéleven. De vrouw geeft een dubbelzinnig antwoord: ik heb geen man. Daarop onthult Jezus haar zondige gedrag en nu begrijpt ze dat ze met een profeet spreekt. De grond wordt haar wel te heet onder de voeten en ze maakt een afleidingsmanoeuvre. Ze doet alsof ze een spiritueel gesprek begint, maar in feite gaat het over wie nu gelijk heeft met betrekking tot de plaats van aanbidding, de Joden of de Samaritanen. Maar Jezus brengt de diepte aan door in te gaan op het aspect van de aanbidding van de Vader. Wie de Vader echt aanbidt, doet dat in Geest en in waarheid. De vrouw herkent Jezus dan als de Messias, echter alleen voor zover zij daartoe in staat is. Ze gaat terug naar de stad en vraagt de mensen mee te komen naar iemand die alles van haar weet. Ze vraagt zich niet af of iemand hem dat verteld heeft, maar wel of hij soms de messias is. De inwoners van de stad komen in twee stappen tot geloof. Eerst door het getuigenis van de vrouw dat hij alles weet van haar, maar na twee dagen door wat Jezus zelf zei. Tegen de vrouw zeggen ze: “We geloven nu niet meer om wat jij gezegd hebt, maar we hebben hem zelf gehoord en we weten dat hij werkelijk de redder van de wereld is.” Ze hebben contact gekregen met het levende water waar Jezus over spreekt. De vrouw heeft dat bemiddeld terwijl ze zelf de betekenis daarvan nog nauwelijks kon bevatten.

Door te spreken over levend water sluit Jezus aan bij de traditie van het Eerste Testament. Als in het boek Spreuken staat: “Het onderricht van de wijze is een bron van leven en vrijwaart voor de strikken van de dood” (13,14), dan is helder dat deze bron geen gewoon water bevat. Het onderricht van de wijze is niet iets wat overgedragen kan worden, maar wat op kan gaan wellen. In ieder mens zit de mogelijkheid dat die bron ontsloten wordt. Niet door het verstand, maar vanuit een diepte die associeert met wat een mens aan meest elementaire behoeften heeft: drinken en eten. Wijsheid welt op vanuit een dergelijk basale laag.

Met het beeld van het levende water zet Jezus de wijsheidstraditie voort. Je kunt water uit de put drinken, maar er kan ook water uit de hemel ontwellen in het diepst van je hart. Daar kun je gaan hunkeren naar de liefde die alles in dit zijn omvat. Wij kunnen hier elkaar toe opwekken, ook al hebben we nog zo weinig besef. Dat zien we aan de vrouw bij de bron die, nauwelijks zelf beseffend, haar stadgenoten naar het levende water leidt. Jezus opent voor haar en voor ons de weg van een uitwendig dorsten, naar een weg naar binnen, waar God de mens ten diepste laaft met het levende water van de Wijsheid.

Geen wonder dat Teresa van Avila zoveel hield van het beeld van de vrouw aan de bron!

 

Bep Meereboer z.g.