Zondag 26 juli 2026

Bij de Evangelielezing van Matteüs 13, 44-52

Jij leert alles laten – om dit Ene.

We hoorden weer verschillende gelijkenissen over het koninkrijk der hemelen. De eerste twee gelijkenissen zeggen bijna hetzelfde: Het koninkrijk is als een kostbare schat/een parel waar je naar zoekt, en als je deze vindt wil je ’m hebben en daarvoor ben je bereid alles te verkopen wat je hebt. Alles laten – om dit Ene.
Ook de derde gelijkenis, die van het sleepnet waarmee vissen uit zee worden gehaald, toont een actief op zoek gaan, en alleen interesse hebben in de goede vissen, de slechte weggooiend.
En dan vervolgt Jezus met een uitleg: ‘Zo zal het zijn bij de voleinding van de tijd. De engelen zullen uitgaan en de kwaden tussen de rechtvaardigen uithalen en hen in de vuuroven gooien. Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars.’ Hier wordt de nadruk niet gelegd op de kostbare schat, de rechtvaardige, maar op wat omwille van die kostbare schat verkocht wordt, losgelaten, de kwaden.

Het onderscheid tussen het kwade en het goede, dat is precies waar ook koning Salomo om vroeg, belangrijker dan een lang leven, rijkdom, of verlost worden van zijn vijanden, is voor hem het inzicht om recht te kunnen spreken ten behoeve van Gods volk. Die opmerkzame geest wordt hem van Godswege gegeven: een geest vol wijsheid en inzicht, om dit Ene.

De traditie leert ons, dat dit inzicht, die geest van wijsheid, in ieder van ons ingeschapen is. In het meest innerlijke van onze ziel verlangen we naar God, onze Schepper. In het meest innerlijke van onze ziel worden we naar God toe getrokken, zoals een bloem zich naar de zon keert, en weten wij wat ons van Hem wegleidt en wat naar Hem toevoert. Van nature begeren wij het goede, het levengevende, en haten we het kwade, wat afbreekt, doodt, klein maakt, vernietigt.

Of we nu luisteren naar Ruusbroec, de Moderne Devoten of Thomas van Aquino, naar Eckhardt of zuster Bertken, naar Hadewijch of Titus Brandsma, in gelijkenissen wordt duidelijk gemaakt dat wie afdaalt in de diepste diepten van het menselijk wezen en er de diepste grond van peilt, uitkomt bij God. Dat het God zelf is die in ons spreekt en ons leidt:  als een zaadje van goddelijk leven, door God zelf in ons uitgezaaid, of het beeld van Gods Geest die als een vuur, vonken slaat in ons hart. Van die Geest is een vonkje in onze ziel gevlogen, dat we niet mogen laten verstikken, maar dat een brand moet ontsteken, vlammen moet doen uitslaan… Waar wij die vonk, die vuurspetter, dat vlammetje, in onze ziel laten branden leren wij alles laten – om het Ene – en breidt de vlam zich uit, zet alles in vuur en vlam.

We hoorden in het evangelie Jezus aan zijn leerlingen vragen: ‘Hebben jullie dat allemaal begrepen?’ En ze zeggen: ‘Ja’. Dan vervolgt Jezus: ‘Daarom gaat het met iedere schriftgeleerde die leerling is geworden in het koninkrijk der hemelen als met een huisvader, die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.’ Een schriftgeleerde is iemand die vertrouwd is met de traditie, met wat er in de Wet geschreven staat. Als deze schriftgeleerde leerling wordt in het koninkrijk der hemelen, zegt dat iets over de manier waarop deze met zijn kennis om leert gaan – namelijk, niet meent te weten, maar zoekt te leren. Dat is als een huisvader die uit zijn voorraad, uit zijn bezittingen, nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.

Wat Jezus hiermee wil zeggen is niet zo makkelijk te verstaan, maar het doet me denken aan Titus Brandsma, wiens sterfdag het vandaag is. Hij was als een schriftgeleerde die leerling was. Uit de rijke traditie van de mystici en theologen, delfde hij kostbare schatten op en bracht ze als nieuw voor het voetlicht. Wanneer we zijn teksten lezen – zoals over het vonkje der ziel – brengt hij God levend nabij – steeds weer gericht op het Ene.

Hemzelf gaf het inzicht, de kracht en de moed om te zoeken naar het goede en zich te verzetten tegen het kwade. Tot in de dood. Zo werpt hij een licht op het koninkrijk der hemelen.

Dat wij steeds meer leren leven – om dit Ene.

 

Anne-Marie Bos