Zondag 20 september 2020

Overweging Mattheüs 21, 28-32

We moeten om de parabel te kunnen verstaan bij vers 23 beginnen: De hogepriesters en de oudsten van het volk stelden daar  de vraag aan Jezus naar zijn bevoegdheid. Jezus vraagt dan waar het doopsel van Johannes vandaan kwam, van de hemel of van de mensen? De doop, waarin Jezus werd gedoopt en waarin een stem uit de hemel klonk: ‘deze is mijn zoon, de geliefde’. In die doop is alles aangaande Jezus besloten: zijn herkomst, zijn geschiedenis, zijn toekomst, zijn wandel, zijn dood, zijn opstanding. Hij is de zoon.
Dan volgt de gelijkenis: iemand had twee kinderen, staat er eigenlijk (NBG).
Nu het zoonschap van de vader in het geding is is het van belang een kind niet maar meteen een zoon te noemen. Het kan zijn dat in het verhaal van de twee kinderen, die nog geen van beide zonen zijn, dat men daarin kan aflezen waar men de ware zoon moet zoeken, de zoon door wie wij dan kinderen genoemd worden en het ook zijn; de zoon, zonder wie wij helemaal geen kinderen van zo’n vader zijn.

Met hun antwoord doorzien de hogepriesters en oudsten de draagwijdte van de vraag niet: Wie heeft de wil van de vader gedaan? Wie is het die het doen zal? Wie is het die komen moet? Wie, als allen zijn afgeweken, en er niemand is die goed doet, zelfs niet één? Wie als de profeten ons zeggen dat wij allen zijn afgevallen als bladeren in de herfst, dat wij wind gebaard hebben en het land geen behoud hebben gebracht. Wie zal het zijn, wil er nog hoop zijn? Wie heeft de wil van de vader gedaan? Jezus heeft de vraag levensgroot gesteld met zijn komst. De wil van de vader wordt alleen door de zoon gekend en gedaan. De wereld wacht op de zoon.

Op de vraag van Jezus : wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan,  zegt Hij niet: Gij hebt goed geantwoord. Hier op déze vraag hadden zij moeten antwoorden: wij weten het niet (v. 27). Want om dat te weten moeten wij de wil van de vader kennen, zoals die alleen door de zoon wordt gekend.

Dan zegt Jezus: Voorwaar, ik zeg u. Dit voorwaar is een middagklok die de kinderen roept om hun vader eindelijk te leren kennen, nadat zij zolang nee hebben gezegd en gedaan. Meestal is de uitleg: De tollenaars en de hoeren komen overeen met de tweede: heel hun bestaan is voorlopig nog een nee, maar eenmaal wordt het ja. En de hogepriesters en de oudsten komen overeen met die eerste: ze zeggen ja, maar hun doen is nee. Maar is dit wel juist? We denken dan nog maar weinig aan de doop die Jezus heeft ondergaan. Daar staat: aldus betaamt het alle gerechtigheid te vervullen. Jezus moraliseert niet, maar predikt het koninkrijk. Hij verkondigt zichzelf, dat wil zeggen, de wil van de vader en hij past dit toe met zijn leven en dood.

Komen de hogepriesters en oudsten overeen met de eerste die zegt: ja en nee doet. Kan men op de wil van de vader ja zeggen en het dan niet doen? Dan zeggen we ja op iets anders dan de wil van de vader. Zelfs de naam van ja-zeggers verdienen ze niet.
Beiden hebben altijd nee gezegd, ik wil niet. Op dit punt hebben wij allen gezondigd.

Paulus zegt in zijn brief aan de Romeinen: ‘Hebben wij, Joden, iets voor op de anderen? Helemaal niets. Ik heb immers reeds vastgesteld, dat allen, Joden, zowel als Grieken, zich in de macht van de zonde bevinden’ (3,9).
Of er iemand is die spijt krijgt en de wil doet? Alleen van Jezus uit ontstaat die mogelijkheid. We kunnen onszelf niet bevrijden uit de eenzelvigheid.
Er staat niet dat de tweede de wil van de vader ging doen, maar dat hij ging geloven op het woord van Johannes in één die gekomen was om de wil van de vader te doen.
Er staat ook niet dat de hogepriesters en de oudsten niet zullen volgen. Ze zullen alleen niet voorgaan. Die moeten ook spijt krijgen en eerst het geloof in zichzelf verliezen.
De hoeren en de tollenaars representeren de wereld van de heidenen, van de uitbuiting en ontrouw. In Jezus heeft het afgedaan de wereld in te delen in goeden en slechten. Alleen de zoon heeft de wil van de vader gedaan. Alle kinderen hebben in hem een broeder, die allen wil redden.

 

Gerard Westendorp O.Carm.