Zondag 7 juni 2020


Overweging Johannes 3, 16-18

Grote bewondering spreekt uit het evangelie dat wij zojuist hoorden voorlezen. Waaruit blijkt die bewondering? Eigenlijk uit alles. Ik wil een paar punten naar voren halen. Daarin hoor ik een bewondering spreken die misschien ook ons kan verwarmen.

Om te beginnen, met grote bewondering hoor ik Johannes spreken over God als overgrote liefde: ‘Zozeer heeft God de wereld liefgehad.’ Ik bewonder zijn moed God te blijven zien als liefde, hoewel de gemeente van Johannes te lijden hadden onder de meest gruwelijke omstandigheden. Zij werden gehaat en onderdrukt, vervolgd en vermoord. Toch bleven zij God zien als liefde: ‘Zozeer heeft God liefgehad.’ En deze liefde verstopte Johannes niet ergens in een bijzin of in een voetnoot, maar hij getuigde ervan, open en bloot, van het begin tot het einde. Hetzelfde zien we in zijn brieven, waaruit wij zojuist een gedeelte hoorden voorlezen. God is liefde. Het blijft verbazingwekkend, dat mensen die gebukt gingen onder haat en geweld, God bleven schouwen als liefde, als gunnende liefde. Óf je moet blind zijn óf je moet een ziener zijn, want met gewoon kijken konden zij die liefde niet waarnemen in het dagelijkse leven. Alles in de werkelijkheid sprak het tegen, en toch: God is liefde, overstromende liefde. Ongelooflijk.

Een tweede reden die voeding geeft aan mijn bewondering, is dit: God heeft niet een stukje van zijn liefde gegeven, maar alles, zijn enige zoon, dat wil zeggen: zijn ziel en zaligheid, het meest eigene, het meest lieve, het meest kostbare. Geen gezant of bode, geen pakketje of geschenkbon, niet de helft van zijn bezit of alle koninkrijken ter wereld, maar zijn bloedeigen leven. Leven van zijn leven, licht van zijn licht. Zijn zoon. Meer kan een vader niet geven. Bij zoveel haat en onderdrukking zou je zeggen: laat de donder los, stuur een leger, met aan het hoofd de aartsengel Michael. Niets van dat al. God gaf zijn zoon, het meest eigene en meest kwetsbare. Niet een deel, maar alles. Geen uiterlijk cadeau, maar zijn ziel.

Wat mijn bewondering nog oneindig groter maakt, is dit: God richt heel zijn liefde op ‘de wereld’. Want zo zeer heeft God ‘de wereld’ liefgehad. Precies die wereld, die de liefde vertrapt en veracht. Precies die wereld, die de gemeente van God op aarde vervolgt en uitmoordt. Precies die wereld, die zich afsluit voor de liefde, die dat maar geneuzel vindt en onzin. Juist die wereld schenkt Hij zijn liefde tot het uiterste, onvoorwaardelijk, zonder enige voorwaarde vooraf. De wereld die haat, geeft Hij al zijn liefde, in zijn zoon: die in ‘de wereld’ kwam, het licht van ‘de wereld’ was, het brood van ‘de wereld’. Die vlees werd, een van ons, even aards en stoffelijk als wij, een mens van vlees en bloed. Werelds, door en door wereld, seculier. Geen priester of leviet, maar een levende offergave. Pure liefde van God in ‘de wereld’ – die de liefde haat.

Het meest bewonder ik echter Gods liefde, omdat zij werd toevertrouwd aan ons. Ons werd zij in handen gegeven. Heel haar toekomst hangt af van ons die geloven, van ons die vertrouwen. Maar als er iets is, dat wij zelden doen, dan is het vertrouwen: ons hechten in de tegenstem van Gods liefde. Wat neemt God toch een groot risico met ons, door te vertrouwen op ons vertrouwen. Op ons, kleingelovigen, die niet geneigd zijn te vertrouwen op kleine tekenen, op onzienlijke gebaren. Hoe zouden wij ook vertrouwen op de zoon van God, die de gestalte van een slaaf aannam, zich ontledigde tot op een verachtelijk stuk kruishout. Misschien geloven wij nog wel boven onze wenkbrauwen, in een gezongen credo. Maar werkelijk mij hechten in een vernederde als Godsgeschenk, werkelijk mij hechten in een verstotene als genadegave?

Hoe is het mogelijk: onooglijke liefde in een eindeloze wereld van oorlog en geweld, een kwetsbaar hoopje ellende in zoveel hardheid, een korrel zelfgave in zoveel vervreemding. We raken er niet over uitgedacht, vol bewondering, steeds vuriger verlangend naar een geloof dat bergen verzet en zich hecht in dat kleine gebaar van liefde, waarvan de redding van de wereld afhangt.

Bidden wij dat wij in deze wereld het geloof levend houden: vertrouwen op Gods gunnende liefde.

Kees Waaijman o.carm.