Zondag 7 maart 2021

Overweging  Johannes 2, 13-25

De ijver voor Gods huis verteert Jou in liefde.

We hoorden de woede van Jezus: tot zijn verontwaardiging ziet Hij in de tempel godsdienst verworden tot een handelsplaats: voor de één een lucratieve handel, voor de ander noodzakelijk verlies. Het zijn de verkopers van offerdieren en de daarbij gebruikelijke geldwisselaars die de Griekse en Romeinse munten van de pelgrims – die in de tempel geen geldig betaalmiddel waren – met grote winst omwisselden voor de lokale munteenheid. Jezus pakt een zweep: ‘Weg ermee. Maakt van het huis van mijn Vader geen markt!’

De ijver voor Gods huis verteert Jou in liefde.

Een stenen gebouw maakt niet het huis van de Vader; daar is meer voor nodig. Het gebouw spaart wel een ruimte uit – waarin gehuisd kan worden. Wat huist er in deze uitgespaarde ruimte? Hoe gaan we met de ruimte om? Laten we de ruimte open voor Hem, of vullen we deze met onze eigen handelswaar, met onze ideeën, onze verlangens, onze meningen, onze voorwaardes…? Laten we het Godshuis werkelijk een woonplaats, een thuis zijn, voor God in onze wereld?

De tempel in Jeruzalem is niet alleen een lege, uitgespaarde, ruimte. In de meest heilige ruimte van de tempel stonden de stenen tafelen met de tien geboden, de door God gesproken woorden, die richtlijn zijn van een Godvruchtig leven, voor een leven – binnen en buiten de tempel, wereldwijd – waarin God gedijen kan, en waar wij als mens gast zijn en niet zelf de heer des huizes zijn. De tien woorden die – indien wij naar deze richtlijnen leven – leefruimte uitsparen voor een samenleven waarin God woonplaats vindt en, in liefde verbonden, zijn Geestkracht ons kan doorstromen.

Als het gaat om de tempel, stelt Jezus zijn eigen leven ten voorbeeld: zijn leven, zijn lichaam, is een ware tempel, woonplaats van God, uitgespaarde ruimte, waar Gods woord vlees en bloed wordt; Heilige ruimte waar de Levende, Bevrijdende, Barmhartige God, mag heersen. Zoals zichtbaar wordt in Jezus’ leven, in zijn doen en laten, in zijn spreken en zwijgen. Hij is ruimte van Gods aanwezigheid. In Hem wordt Gods aangezicht zichtbaar, Zijn bevrijdende kracht werkzaam, zijn liefde voelbaar.

De ijver voor Gods huis verteert Hem in liefde.

Wanneer zijn leven door de mensen wordt afgebroken, zal Hij in drie dagen verrijzen.

Wij allen zijn geroepen Gods woonplaats te zijn. Levende stenen, waarin Hij verblijf mag houden. Gevoegd zijn wij als levende stenen in zijn tempel. In het voetspoor van Jezus worden wij allen uitgedaagd niet alleen Hem in onszelf ruimte te geven, maar ook levende bouwstenen te zijn van een geloofsgemeenschap, een samenleving, waarin God wonen kan, thuisbasis heeft. Daartoe mogen wij de belichaming zijn van Gods aanwezigheid in deze wereld door ons doen en laten, ons spreken en zwijgen, ons luisteren en horen, onze gave te ontvangen en te laten doorstromen.

De tempel als uitgespaarde ruimte – waar God woonplaats vindt. Dat wij die ruimte zelf steeds weer opvullen of laten vollopen ligt in onze aard. Wij staan lang niet altijd open voor zijn bevrijdend woord, de zelfgave, de overgave aan God, het offer. Maar steeds opnieuw klinkt Zijn woord zoals de tien geboden keer op keer klinken – als een rechtstreekse oproep van God aan ieder van ons. De stem die ons wegroept uit ons eigenbelang, die ons wegleidt uit het slavenhuis, die helpt het leven te heiligen.

De ijver voor Gods huis verteert ons in liefde.

Geen plaats voor gewin of het grootste gelijk is het huis van God.
Dat onze ijver – verteerd van liefde – tot overgave mag komen.

 

Anne-Marie Bos O.Carm.