Zondag 9 oktober 2022

Overweging naar Lucas 17, 11-19

Zoals Jezus op reis is, onderweg is van zijn geboorteplaats Nazareth in Galilea naar Jeruzalem in Judea, de plaats waar hij zijn aardse leven zal beëindigen, zo zijn ook wij in ons leven op weg van de plaats waar we geboren zijn naar de plaats waar we eens ons aardse leven zullen voltooien.
Onlangs vertrouwde iemand mij toe dat beide plaatsen ons gegeven worden, de plaats waar we geboren worden kiezen we niet zelf uit, en ook de plaats waar we sterven kiezen we niet zelf uit. Niemand van ons weet waar en wanneer ons einde komt. Leven is ten diepste onderweg zijn: van de ochtend naar de avond, van de zomer naar de winter, van onze geboorteplaats naar de plaats van ons heengaan.

Als christenen is ons op weg zijn een op weg zijn naar de Heer, wij leven Hem achterna. En wij leven Hem tegemoet …en we spreken hem aan in ons bidden.
We roepen tot hem: heer, zie naar ons om, ontferm u over ons, red ons. Soms kan het ons overkomen dat we de Heer mogen ontmoeten in dit leven, net als de melaatsen in het evangelie. Zij weten van Jezus, ze hebben van hem of over hem gehoord, ze gaan hem tegemoet, ze spreken hem aan en het wonder van de ontmoeting voltrekt zich tussen hen en hun Meester.
Jezus ziet hen en hij spreekt hen aan: ga naar de priesters, ga naar de tempel, ga naar God… en ze gaan…op weg naar de Heer…de Heer tegemoet
en in het gaan gebeurt het, onderweg worden ze gereinigd, niet in de tempel, niet in het bijzijn van een priester, maar onderweg… Onderweg gebeurt het, onderweg genezen ze, onderweg ervaren ze de kracht van God.

Ook wij ervaren soms onderweg, al gaande een kracht die ons te boven gaat, een kracht die ons op onze weg naar God stil doet staan of zelfs doet omkeren,
omdat we weten dat we alleen door onze ommekeer, onze bekering, terug kunnen gaan naar onze Meester.
Tien melaatsen worden genezen, een van hen keert terug naar Jezus, zijn Meester om hem te danken en om God te verheerlijken. Blijkbaar is het niet aan een ieder gegeven om op de juiste wijze en tegenover de juiste mensen uiting te geven aan zijn of haar dankbaarheid. Een melaatse weet aan wie hij zijn genezing te danken heeft, van de anderen horen we niets meer. Opnieuw komt het tot een ontmoeting tussen de ene melaatse en Jezus en in deze hernieuwde ontmoeting wordt hij bevestigd in zijn vertrouwen. Opnieuw spreekt Jezus hem aan met het woord: ga…ga…je vertrouwen is je redding.

Dit tweede ga is een ander gaan dan het eerste gaan, het eerste gaan was een gaan naar de priesters, maar het tweede gaan is een gaan zonder meer, een vertrouwvol gaan, een gaan met een weten van God. Er is geen menselijke bemiddeling meer nodig, er is een onmiddellijk weten van God ongeacht waar je gaat of staat. Dat is gelovig op weg zijn van de ochtend naar de avond, van de plaats van onze geboorte naar de plaats van ons sterven in God.

 

Sanny Bruijns O.Carm.