Zondag 23 februari 2020

Overweging bij Matteüs 5, 38-48

‘Weest volmaakt zoals uw hemelse Vader volmaakt is’, dat lijkt onmogelijk, en toch zongen we: ‘Altijd verder trek jij in de liefde’, in jouw liefde. ‘Bewaar jouw gaafheid in mij’. ‘Herschep ons in uw liefde’. ‘Uw kracht openbaart zich in zwakheid’. Dat jouw liefde in ons leven blijkt’.

We zongen zo voortdurend ‘bemin je vijanden’. Maar tegelijkertijd is dat zo onmogelijk, hoe doe je dat in godsnaam? Je vijand beminnen. Het is veel gemakkelijker je vrienden te beminnen, degenen die je bevestigen, degenen die applaudisseren. ‘Weest volmaakt zoals de hemelse Vader volmaakt is’, en dat kunnen wij niet, we kunnen die stap niet zetten naar die volmaaktheid, naar die onvoorwaardelijke liefde, omdat wij gevangen zitten in de voorwaardelijkheid, gevangen zitten in het gezonde verstand, waardoor je juist niet moet doen wat misschien vanuit God zou moeten.

Rafaël Tijhuis (medegevangene en ordegenoot van Titus) schrijft over Titus Brandsma: ‘In de omgang is hij steeds de rust en kalmte in persoon. Zelfs wanneer hij door de Block- of Stubenälteste geslagen wordt. Ook nadien zal hij niet op hen schelden of zelfs het woord ‘moffen’ op hen toepassen. Van haat of afkeer van de Duitsers of van de bewakers en diegenen die hem slaan of mishandelen, kan men bij hem niets merken. ‘Och, het is al weer voorbij’, zegt hij dan, als men hem vraagt waarom hij slaag gekregen heeft. Hij praat nog zelfs met zijn gewone gemoedsernst tegen de Block- en Stubenälteste. Dit trok steeds onze aandacht, want vaak was het zo dat je dan voor een of ander ‘delict’ ter verantwoording werd geroepen, verder bleef je liever zoveel mogelijk bij hen uit de buurt.’

‘Maar’ , schrijft Rafaël, ‘Titus, met zijn aangeboren vriendelijkheid, tracht door praten nog iets bij hen te bereiken. Meestal eindigt het gesprek met een oorvijg of schop, maar dat weerhoudt hem er niet van vriendelijk tegenover hen te zijn. Nog hoor ik de bulderende stem van het blokhoofd: ‘Hau ab, du Blöder, du Blöder!’. Naderhand zeg ik dan wel eens tegen Titus: ‘Praat toch niet met die kerels, U bereikt er toch niets mee, hoogstens een pak slaag!’. Maar dan antwoordt hij: ‘Daarom moet je het niet laten, want wie weet, misschien blijft er wel iets van hangen. Men moet voor deze mensen bidden’, hoor je hem vaak zeggen, ‘opdat ze tot inzicht komen’.’

Je vijand beminnen, zelfs in de vijand het gelaat van Christus zien. Voorbij die oppervlakkige werkelijkheid kijken van degene die juist je afkeer oproept, degene die je liever uit de weg gaat… achter die oppervlakte die je denkt te zien dat gelaat van Christus gaan ontdekken, de werkelijkheid van de werkelijkheid gaan zien.

In februari 1944 schrijft Henriette, een Nijmeegse vrouw, in haar aantekenschriftje:

Die Duitsers balken langs den weg dag in dag uit. Vijf onzinnige liedjes bevat hun repertoire. De monden gaan mechanisch op en neer en spreken lege woorden. Mijn God, grijp toch in en maak van al deze slaven bewuste koningszangers. Zegen de arme kerels in wier hart een betere melodie ruist, zegen vooral de U toegewijde Priesters, die door deze beproeving heen moeten zonder zelfs de troost op zondag een H. Mis te mogen bijwonen. Mijn God, maak aan deze waanzinnige oorlog een einde, herstel het verbroken evenwicht, dring het kwade terug en maak van de mensheid één groot orkest waarin, door Uw genade, ieder naar eigen kracht en wijze meewerkt aan de majestueuze vertolking van de hemelse muziek die trilt in elk van ons door Uw Aanwezigheid. Mogen de Engelen eens zeggen: ‘en God zag dat het goed was’.’

Twee getuigen uit de laatste wereldoorlog. Maar ook wij zijn geroepen om steeds voorbij die oppervlakkige werkelijkheid die we denken te zien, te kijken en de werkelijkheid van God te gaan ontdekken in die zogenaamde objectieve werkelijkheid die we menen te zien.
Bidden we dat we tot zien mogen komen en zo volmaakt worden zoals de hemelse vader volmaakt is.

Hein Blommestijn o. carm.