Zondag 14 juni 2026
Matteüs 9, 36-10, 8
Bij het zien van de mensenmenigte werd Jezus diep bewogen door hen, omdat ze geplaagd en gebroken waren als schapen zonder herder. Toen zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraag dus de eigenaar van de oogst om arbeiders in te zetten voor zijn oogst.’ Hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en elke ziekte en elke kwaal te genezen. De namen van de twaalf apostelen zijn deze: allereerst Simon, die Petrus genoemd wordt, en dan Andreas, zijn broer, Jakobus van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, verder Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus van Alfeüs en Taddeüs, Simon Kananeüs en Judas Iskariot, die Hem overgeleverd heeft. Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: ‘Sla de weg naar de heidenen niet in, en ga een stad van de Samaritanen niet binnen. Maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël. Verkondig op je tocht: “Het koninkrijk der hemelen is ophanden!” Genees zieken, wek doden op, maak melaatsen rein, drijf demonen uit. Voor niets hebben jullie gekregen, voor niets moet je geven.’

