Johannes 20, 1-9
Op de eerste dag van de week ging Maria van Magdala, in alle vroegte, terwijl het nog donker was, naar het graf en zag dat de steen voor de opening van het graf was weggehaald. IJlings liep ze naar Simon Petrus en de andere leerling, die van wie Jezus hield. ‘Ze hebben de Heer uit het graf gehaald’, zei ze. ‘Wisten we maar waar ze Hem hebben neergelegd!’ Daarop gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf. IJlings liepen de twee er samen naar toe, maar de andere leerling liep harder dan Petrus en kwam het eerst bij het graf aan. Hij wierp er een blik in en zag dat de linnen doeken er nog lagen. Maar hij ging niet naar binnen. Toen kwam ook Simon Petrus, na hem, bij het graf aan en ging meteen naar binnen. Hij zag hoe de doeken er nog lagen, maar ook hoe de doek die zijn hoofd had bedekt, niet bij de andere doeken lag: hij was opgerold en lag helemaal apart. Toen pas ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf was aangekomen, naar binnen. Hij zag en kwam tot geloof. Ze wisten toen nog niet wat de Schrift zei: dat Hij uit de doden móést opstaan.
Eerste lezing: Handelingen 10, 34a. 37-43
Overweging
Steeds geeft Jezus in het evangelie van Johannes iets te zien of te horen dat meer is dan het gewone.
Als het om leven gaat: je moet opnieuw geboren worden. Als het om de tempel gaat: breek af, ik zal hem in drie dagen weer opbouwen. Als het om water gaat: ik geef je water waar je nooit meer dorst van krijgt. Als het om de dood van zijn vriend Lazarus gaat horen we: “vooruit kom uit het graf” en zien we dat de dode uit het graf komt en later aan de maaltijd deelneemt.
Steeds lokt dit reactie uit. Verbazing. En daarna iets positiefs; nl. in het zien en horen vertrouwen geven aan Jezus als een gezondene van God, die God zijn Vader in dit gebeuren en in zijn persoon als zijn Zoon present stelt.
Of een reactie vol ergernis. heiligschennis. Daarna een negatieve kettingreactie: zien en horen en dit afwijzen: die man zegt en doet dingen die tegen ons geloof ingaan. Hij is een zondaar, hij moet gedood worden. Innerlijk vatten mensen haat op tegen hem.
Mensen zijn getuige van iets ongewoons. En wat gebeurt dan met hen? Ze worden innerlijk vernieuwd door hun vertrouwen of ze worden dodelijk vijandig, omdat hij hun religieus opgebouwd waardensysteem niet respecteert.
Dit werpt mij terug op de vraag: hoe zie ik en hoe hoor ik? Dit is niet iets dat zich afspeelt op het netvlies van mijn ogen of op het trommelvlies van mijn oren. Het gebeurt veel innerlijker. Het heeft te maken met mijn innerlijk gevormd zijn en mijn innerlijke openheid voor het onbekende.
Steeds gaf Jezus in de ontmoetingen een uitdaging aan het innerlijk gevormd zijn en openheid voor het nog onbekende, nl. dat hij vanuit God gezonden was en een goddelijke werking en woorden had.|In zekere zin ontvormde Jezus de innerlijke zekerheden tot een nieuw vertrouwen in hem; zijn werk en zijn woord. Niet van mensen, maar van God. In het innerlijk van mensen die hem vertrouwen, ontstaat daardoor een vertrouwen dat goddelijk gevormd was: geloof.
Zo probeer ik mee te kijken met de ogen van de personen die op de vroege morgen naar het graf van Jezus gaan. Daar is: Maria Magdalena: de steen is weg. Dus ze hebben het lichaam weggehaald. Petrus even later, nadat de geliefde leerling hem heeft laten voorgaan, constateert dat het linnen dat gewikkeld was om het lichaam daar nog lag en de doek om het hoofd opgerold op een andere plek. Hij constateert deze stille getuigen. We vernemen niets over zijn innerlijk.
De andere leerling ziet hetzelfde en verandert innerlijk door wat hij ziet: de afwezigheid van het lichaam van Jezus: hij ontvangt een nieuw vertrouwen in hem die hier afwezig is. Jezus is ontkomen aan het graf.
De geliefde leerling ervaart de verrezen Meester innerlijk als de gezondene van God, ontkomen aan het graf. Ontkomen aan de lijflijke dood, maar ook aan de dood die hem bij voorbaat toegedacht wordt door oh ze menselijke, natuurlijk gevormde opvatting. Hij is ook ontkomen aan mijn vooringenomenheid. Ik moet hier zelf met hem verrijzen uit de dood van mijn zekerheid.
Hem hier niet zien dat doet de geliefde leerling geloven. In de leerling verrijst hij helemaal. In mij ook?
Ben ik ook een geliefde leerling?
Hoe ervaar ik hem? Kan God ook aan mijn innerlijk werken, aan onze innerlijke zekerheden en ze omvormen tot vertrouwen in hem, een vertrouwen sterker dan de dood? Ook mij roept hij zoals zijn vriend Lazarus uit het graf van mijn innerlijke, dodelijke zekerheden naar een nieuw Godsvertrouwen.|
Ik verlang geliefde leerling te zijn, ik verlang naar dat vertrouwen.
Overgave aan zijn godmenselijk leven hier en nu. Waarom ook niet?
Paul Reehuis

