Zusters Carmelitessen in Zenderen


Go to content

Regel Carmelorde

Carmel



De Regel van de Carmelorde


De oorspronkelijke regel die Albertus Avogadro, patriarch van Jeruzalem, schreef voor de kluizenaars op de berg Carmel was geheel gegrond op de Heilige Schrift en geschreven in de vorm van een brief. Pas later werd hij in achttien korte hoofdstukken verdeeld.

Proloog

Albertus,
door Gods genade geroepen
tot patriarch van de Kerk te Jeruzalem,
aan de in Christus beminde zonen
B. en de andere eremieten,
die onder zijn gehoorzaamheid
bij de Bron in het Carmelgebergte verblijven:
heil in de Heer
en zegen van de Heilige Geest.

Veelvuldig en op velerlei wijzen
hebben de heilige Vaderen ingesteld,
hoe ieder, tot welke orde hij ook behoort
of welke religieuze leefwijze hij ook gekozen heeft,
in horigheid aan Jezus Christus moet leven
en zich aan hem trouw moet verknechten
vanuit een zuiver hart en een goed geweten.
Echter, omdat jullie ons vragen,
dat wij aansluitend bij jullie plan
jullie een levensvorm aanreiken,
waaraan jullie je voortaan moeten houden,
stellen wij ten eerste dit:

Hoofdstuk I

dat jullie één van jullie als prior hebben,
die vanuit de eensgezinde instemming van allen
of van het grootste en verstandigste deel
tot deze taak gekozen wordt,
aan wie ieder van de anderen gehoorzaamheid belooft
en zich beijvert de belofte daadwerkelijk te onderhouden,
met kuisheid en afzien van bezit.

Hoofdstuk II

Plaatsen nu zul je kunnen hebben
in de eenzaamheid of waar ze jullie gegeven zullen worden,
voor de inachtneming van jullie religieuze leefwijze
passend en voegzaam,
naargelang wat in de ogen van de prior en de broeders bevorderlijk is.

Hoofdstuk III

Voorts dat jullie
aansluitend bij de ligging van de plaats,
die jullie van plan zijn te bewonen,
ieder afzonderlijk
afzonderlijke, afgescheiden cellen hebben,
zoals door de beschikking van de prior zelf
en met de instemming van de andere broeders
of van het verstandigste deel
deze cellen aan ieder worden toegewezen;

Hoofdstuk IV

zo evenwel
dat jullie in de gemeenschappelijke eetruimte
wat jullie gegeven zal worden,
gemeenschappelijk horend
naar een of andere lezing van de heilige Schrift,
waar dat voegzaam in acht genomen kan worden,
tot je nemen
;

Hoofdstuk V

en dat het geen enkele broeder geoorloofd is,
tenzij met verlof van de prior,
die het op dat moment zal zijn,
de hem toebedachte plaats te veranderen
of met een ander te ruilen
;

Hoofdstuk VI

de cel van de prior sluite aan bij de ingang van de plaats,
opdat hij als eerste ontmoet wie naar deze plaats komen,
en naar zijn oordeel en beschikking
verder alles verloopt wat gedaan moet worden.

Hoofdstuk VII

Laten zij ieder afzonderlijk in hun cellen blijven
of in de buurt daarvan,
dag en nacht in de Wijzing van de Heer zich bezinnend
en in gebeden wakend,
tenzij zij met andere rechtmatige bezigheden bezet zijn.

Hoofdstuk VIII

Laten zij die met de clerici de canonieke uren kunnen zeggen,
deze zeggen volgens de vaststelling van de heilige Vaders
en de goedgekeurde gewoonte van de Kerk.
Wie dat niet kunnen,
zeggen vijfentwintig maal het onze vader
in de nachtwaken,
behalve op zon- en feestdagen.
Wij stellen dat in die nachtwaken
het voornoemde aantal wordt verdubbeld,
zodat het onze vader vijftig maal gezegd wordt.
Ditzelfde gebed worde echter in de morgenlofprijzing zeven maal gezegd.
Ook op de andere uren worde eveneens zeven maal achtereen
hetzelfde gebed gezegd,
behalve in de vespers,
waarin je het vijftien maal moet zeggen.


Hoofdstuk IX

Laat niemand van de broeders zeggen,
dat iets zijn eigendom is,
maar alles zij jullie gemeenschappelijk
en aan ieder worde toebedeeld
door de hand van de prior, dat wil zeggen:
door de broeder die door hem voor deze taak is aangewezen,
voorzover ieder behoeft,
waarbij gelet wordt op leeftijd
en levensbehoeften van ieder afzonderlijk.
Ezels echter of muilezels,
voorzover jullie noodzaak dit vereist,
mogen jullie hebben;
En iets van vee- of hoenderteelt.


Hoofdstuk X

De gebedsruimte worde,
voorzover het enigermate voegzaam gebeuren kan,
gebouwd in het midden van de cellen,
waar jullie in de vroegte iedere dag bijeen moeten komen
om de eucharistie te vieren,
waar dit voegzaam gebeuren kan.

Hoofdstuk XI

Behandelen jullie op zondagen ook
of op andere dagen, waar daaraan behoefte is,
het behoeden van de orde en het heil van de zielen,
waar tevens de overdrijvingen en tekorten van de broeders,
als die bij iemand worden waargenomen,
worden rechtgezet,
met de liefde als midden
.

Hoofdstuk XII

Nemen jullie het vasten in acht, iedere dag,
de zondagen uitgezonderd,
vanaf het feest van Kruisverheffing
tot de dag van de Verrijzenis des Heren,
tenzij ziekte of zwakte van het lichaam
of een andere rechtmatige reden
het raadzaam maken dat het vasten opgeheven wordt,
want nood breekt wet
.

Hoofdstuk XIII

Onthouden jullie je van het eten van vlees
tenzij het genomen wordt als geneesmiddel
bij ziekte of zwakte.
En omdat jullie vaker moeten bedelen
wanneer jullie op tocht zijn,
kunnen jullie,
om de gastheren niet tot last te zijn,
buiten jullie huizen spijzen nemen, met vlees gekookt.
Maar ook is het geoorloofd vlees te eten op zee.

Hoofdstuk XIV

Omdat echter het leven van de mens op aarde een beproeving is
en allen die eerbiedig willen leven in Christus,
vervolging lijden,
jullie tegenstander de duivel bovendien
als een brullende leeuw rondgaat
zoekend wie hij zal verslinden,
zullen jullie allerzorgzaamst je beijveren
de wapenrusting Gods aan te trekken,
opdat je de hinderlagen van de onvriend kunt weerstaan.
Omgord moeten zijn de lendenen
met de gordel van kuisheid.
Beschermd moet zijn de borst
met heilige overwegingen;
er staat immers geschreven:
"Heilige overweging zal je behouden".
Aangetrokken moet worden
het harnas van de gerechtigheid,
zodat je de Heer je God
met heel je hart
en met heel je ziel
en met heel je kracht bemint
en je naaste als jezelf.
Genomen moet worden bij alles
het schild van het vertrouwen,
waarmee je alle vurige pijlen
van de ellendeling kunt doven;
zonder vertrouwen is het immers onmogelijk
God te behagen.
De helm ook van het heil
moet op het hoofd worden gezet
opdat je het heil verhoopt van de enige Heiland
die zijn volk heel maakt van zijn schendingen.
Het zwaard nu van de Geest,
dat is het woord van God,
wone overvloedig in jullie mond en hart.
En wat ook maar door jullie gedaan moet worden,
het gebeure in het woord van de Heer.

Hoofdstuk XV

Verricht moet worden door jullie iets van werk,
zodat de duivel je altijd bezet vindt
en niet ten gevolge van je ledigheid
enige toegang vermag te vinden
om in je ziel binnen te komen.
Jullie hebben in deze
het onderricht en tegelijk het voorbeeld
van de heilige apostel Paulus,
door wiens mond Christus sprak
en die aangesteld is en gegeven door God
als verkondiger en leraar van de volken
in vertrouwen en waarheid.
Als je hem zult volgen, kun je niet dwalen.
"Moeitevol", zei hij, "ons afmattend
waren wij onder jullie,
nacht en dag werkend,
om niemand van jullie tot last te zijn:
niet dat we daar geen recht op zouden hebben,
maar om onszelf als vorm te geven aan jullie,
opdat jullie ons uitbeelden.
Want toen wij bij jullie waren,
hielden wij jullie dit voor:
Als iemand niet wil werken, zal hij niet eten.
Wij hebben immers gehoord
dat er onder jullie rusteloos hun hang gaan
met niets aan het werk.
Hun die zo zijn, houden wij voor
en bezweren wij in de Heer Jezus Christus,
dat zij, in stilte aan het werk, hun brood eten".
Deze weg is heilig en goed,
ga hem.


Hoofdstuk XVI

De apostel nu beveelt stilte aan,
wanneer hij voorschrijft
dat daarin gewerkt moet worden;
en zoals de profeet getuigt:
"Aankweek van gerechtigheid is stilte".
En verder:
"In stilte en hoop zal jullie sterkte zijn".
Daarom bepalen wij,
dat jullie na het bidden van de completen de stilte onderhouden
tot de prime van de volgende dag gezegd is.
De andere tijd echter,
al hoeft dan de stilte niet zozeer in acht genomen te worden,
hoede men zich toch des te nauwlettender voor veelpraterij.
Immers, zoals geschreven staat
en de ervaring niet minder leert:
"In veelpraterij zal de schending niet ontbreken"
,en: "Wie onbezonnen spreekt, wacht verderf";
eveneens: "Wie veel woorden gebruikt, schendt zijn ziel";
en de Heer in het evangelie:
"Van ieder leeg woord dat de mensen gesproken zullen hebben,
daarvan zullen zij rekenschap afleggen
op de dag van 't oordeel".
Laat dus ieder een weegschaal maken voor zijn woorden
en strakke teugels voor zijn mond,
opdat hij niet onverhoeds wankelt
en valt in het praten
en zijn val ten dode ongeneeslijk is,
met de profeet "zijn wegen bewakend,
dat hij niet misdoet met zijn tong",
en zich beijvert de stilte,
waarin de aankweek van gerechtigheid bestaat,
nauwlettend en behoedzaam in acht te nemen.

Hoofdstuk XVII

Jij nu, broeder B.,
en ieder die na jou als prior wordt aangesteld,
Beseffen jullie altijd
en nemen jullie werkelijk in acht
wat de Heer in het Evangelie zegt:
"Alwie bij jullie de grotere wil worden,
zal jullie dienaar zijn,
en alwie bij jullie de eerste wil zijn,
zal jullie knecht zijn".

Hoofdstuk XVIII

Ook jullie, overige broeders,
eer je prior nederig,
veeleer aan Christus denkend,
die hem aan het hoofd van jullie heeft gesteld,
dan aan hemzelf,
en die tot de leiders van de Kerk zegt:
"Wie jullie hoort, hoort mij,
wie jullie smaadt, smaadt mij",
opdat je niet omkomt in het oordeel
wegens veronachtzaming,
maar jullie vanwege gehoorzaamheid
het loon van het eeuwig leven verdienen.


Epiloog

Dit hebben wij jullie kort geschreven,
daarmee jullie gedragsvorm vaststellend
volgens welke je moet leven.
Als nu echter iemand meer uitgegeven zal hebben,
zal de Heer zelf, wanneer hij terugkomt,
het hem vergoeden.
Hij gebruike evenwel de onderscheiding,
die de leidraad is van de deugden.


Sub-Menu:


Back to content | Back to main menu